Rechtspraak Gerechtshof Den Haag 2026-01-13
ECLI:NL:GHDHA:2026:656
GERECHTSHOF DEN HAAG Civiel recht Team Handel Zaaknummer hof : 200.351.707/01 Zaak- en rekestnummer rechtbank : 11053403 \ RP VERZ 24-50233 Beschikking van 13 januari 2026 in de zaak van 1 [verzoeker 1] (hierna: [verzoeker 1] ), 2. [verzoekster] hierna: [verzoekster] ), beiden wonend in [woonplaats 1] , 3. [verzoeker 2] hierna: [verzoeker 2] ), wonend in [woonplaats 1] , verzoekers in hoger beroep, advocaat: mr. [verzoeker 1] , kantoorhoudend in [plaats 2], tegen de volgende 58 leden van de Vereniging van Eigenaren (VvE) [wooncomplex] te [plaats 1] , dan wel hun rechtsopvolgers: [verweerder 1] [verweerder 1] [verweerder 1] [verweerder 1] [verweerder 1] [verweerder 1] [verweerder 1] [verweerder 1] [verweerder 1] [verweerder 1] [verweerder 1] [verweerder 1] [verweerder 1] [verweerder 1] [verweerder 1] [verweerder 1] [verweerder 1] [verweerder 1] [verweerder 1] [verweerder 1] [verweerder 1] [verweerder 1] [verweerder 1] [verweerder 1] [verweerder 1] [verweerder 1] [verweerder 1] [verweerder 1] [verweerder 1] [verweerder 1] [verweerder 1] [verweerder 1] [verweerder 1] [verweerder 1] [verweerder 1] [verweerder 1] [verweerder 1] [verweerder 1] [verweerder 1] [verweerder 1] [verweerder 1] [verweerder 1] [verweerder 1] [verweerder 1] [verweerder 1] [verweerder 1] [verweerder 1] [verweerder 1] [verweerder 1] [verweerder 1] [verweerder 1] [verweerder 1] [verweerder 1] [verweerder 1] [verweerder 1] [verweerder 1] [verweerder 1] ; alle(n) wonend, respectievelijk gevestigd in [woonplaats 1] , verweerders in hoger beroep, advocaat: mr. H.W. Gierman, kantoorhoudend in Den Haag. Het hof noemt partijen hierna [verzoeker 1] c.s. en [verweerder 2] c.s. 1 De zaak in het kort 1.1 [verweerder 2] c.s., [verzoeker 1] en [verzoekster] wonen in hetzelfde appartementencomplex. [verzoeker 2] heeft in dat complex een garage. [verweerder 2] c.s. willen de splitsingsakte wijzigen, maar [verzoeker 1] c.s. hebben zich daartegen verzet. 1.2 In deze procedure vragen [verweerder 2] c.s. om een vervangende rechterlijke machtiging om de wijzigingen, ondanks het protest van [verzoeker 1] c.s., toch door te kunnen voeren. 1.3 De kantonrechter heeft de gevraagde vervangende machtiging verleend en de zaak verder verwezen naar de schadestaatprocedure voor de bepaling van de schade die [verzoeker 1] en [verzoekster] ten gevolge van de gewijzigde akte stellen te lijden. 1.4 In deze tussenbeschikking overweegt het hof het eens te zijn met de verleende vervangende machtiging. Anders dan bij de kantonrechter krijgen [verzoeker 1] en [verzoekster] echter alsnog de gelegenheid om zich, in het kader van hun voorwaardelijke (subsidiaire) tegenverzoek, bij akte uit te laten over de door hen gestelde schade en het door [verweerder 2] c.s. voorgestelde bedrag aan schadecompensatie. 2 Procesverloop in hoger beroep 2.1 Bij beroepschrift (met bijlagen), ter griffie ingekomen op 10 januari 2025, zijn [verzoeker 1] c.s. in hoger beroep gekomen van de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 11 oktober 2024. 2.2 [verweerder 2] c.s. hebben een verweerschrift (met bijlage) ingediend, dat op 9 mei 2025 is ontvangen ter griffie van het hof. 2.3 Bij e-mails van 9 en 15 september 2025 heeft de advocaat van [verweerder 2] c.s. bevestigd dat alle 70 leden van de VvE [wooncomplex] , alle beperkt gerechtigden en de grondeigenaar (Gemeente Den Haag) bij name zijn opgeroepen voor de mondelinge behandeling van het beroep. 2.4 Partijen hebben hun standpunten uiteengezet tijdens de mondelinge behandeling op 29 oktober 2025. Mr. [verzoeker 1] heeft zich daarbij bediend van een pleitnota, die hij heeft overgelegd. Vervolgens is de datum voor de beschikking bepaald op heden. 3 Feitelijke achtergrond 3.1 [wooncomplex] is een wooncomplex dat bij akte van 17 maart 1975 is gesplitst in 72 appartementen. Het gaat daarbij om 70 woonappartementen en twee garages. Bij dezelfde akte is de VvE [wooncomplex] opgericht. Het aantal stemmen in de vergadering van eigenaars bedraagt 70. 3.2 [verzoeker 1] en [verzoekster] zijn gezamenlijk gerechtigd tot het appartementsrecht met het indexnummer [indexnummer 1] , bestaande uit een woning op de eerste etage (nr. [nummer] ), een kamer op de derde etage (nr. [nummer] ), een kelderbox (nr. [nummer] ) en een garage (nr. [nummer] ). Samen hebben zij één stem in de vergadering van eigenaars. 3.3 [verzoeker 2] is via een ondersplitsing (annex onder-vereniging van eigenaars, hierna: onder-VvE) gerechtigd tot het appartementsrecht met het indexnummer [indexnummer 2] , bestaande uit een garage. [verzoeker 2] is tezamen met de appartementseigenaars van de woning met het indexnummer [indexnummer 3] gerechtigd tot één stem in de vergadering van eigenaars. 3.4 In de Algemene Ledenvergadering (ALV) van 21 november 2019 is een concept van 15 oktober 2019 voor een ‘Akte wijziging splitsing in appartementsrechten’ aan de vereniging van eigenaars (VvE) ter stemming voorgelegd. Het concept is bij meerderheid van stemmen aangenomen. Van de 68 (al dan niet bij volmacht) aanwezige stemgerechtigden waren 60 stemmen vóór en acht stemmen tegen de voorgestelde wijziging. 3.5 Enkele tegenstemmers, onder wie [verzoeker 2] , zijn in rechte opgekomen tegen het besluit van 21 november 2019. Na het tussenvonnis van 28 juli 2021 heeft de rechtbank Den Haag hun vorderingen bij vonnis van 15 december 2021 afgewezen. 3.6 De conceptakte van 15 oktober 2019 betreft een integrale herziening van de bestaande splitsingsakte van de VvE. Die akte dateert uit 1975 en is daarna één keer, in 1981, gewijzigd. De onder-VvE’s worden in de conceptakte opgeheven. De bestaande appartementsrechten worden op zodanige manier gesplitst dat de (zolder)kamers, garages, bergingen en kelderboxen elk een afzonderlijk appartementsrecht worden. Zo is het onder 3.2 genoemde appartementsrecht van [verzoeker 1] en [verzoekster] onderverdeeld in vier afzonderlijke appartementsrechten: de woning, de kamer, de kelderbox (hierna ook te noemen: de berging) en de garage. Alleen de eigenaars van een appartementsrecht met woonbestemming hebben volgens het concept één stem in de vergadering van eigenaars. De eigenaars van een appartementsrecht op alleen een garage, zoals [verzoeker 2] , hebben geen (gedeeld) stemrecht meer. In de conceptakte is tevens opgenomen dat enkele in de splitsingstekening aangeduide ruimten aan een van de bestaande appartementsrechten worden toegevoegd. 3.7 Op 11 augustus 2022 heeft de VvE in het kader van het door de (vijf) tegenstemmers tegen de eerdergenoemde vonnissen van 28 juli en 15 december 2021 ingestelde hoger beroep een vaststellingsovereenkomst gesloten. Daarin is vastgelegd dat deze tegenstemmers alsnog akkoord gaan met het passeren van de gewijzigde akte van splitsing en dat zij van de VvE daarvoor een eenmalige schadevergoeding ontvangen. 3.8 Bij e-mail van 10 januari 2024 heeft de notaris een concept ‘Akte opheffing ondersplitsingen wijziging hoofdsplitsing in appartementsrechten en verdeling’ aan de appartementsrechteigenaars toegezonden (hierna: conceptakte versie 2023). In dat concept is nader opgenomen dat de in de splitsingstekening met ‘gang’, ‘hal’ en ‘magazijn’ aangeduide ruimtes worden toegevoegd aan het appartementsrecht met indexnummer [indexnummer 4] . Dit appartementsrecht behoort thans toe aan [verweerder 48] (hierna: [verweerder 48] ). In de begeleidende e-mail heeft de notaris de appartementsrechteigenaars verzocht om medewerking te verlenen aan de wijzigingsakte door middel van het ondertekenen van een (als bijlage meegezonden) volmacht. In die volmacht wordt het bestuur van de VvE gemachtigd om namens de appartementsrechteigenaars een verzoek in te dienen bij de kantonrechter voor een vervangende machtiging in het geval één of meer appartementsrechteigenaars zich niet verklaren of zonder redelijke grond weigeren om medewerking te verlenen aan de wijziging van de splitsingsakte. 3.9 [verzoeker 1] c.s. hebben de volmacht niet ondertekend. 4 Procedure bij de kantonrechter 4.1 Bij verzoekschrift van 17 april 2024 hebben [verweerder 2] c.s., samen met zes andere appartementsrechteigenaars, aan de kantonrechter verzocht, samengevat weergegeven, om hen bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, machtiging te verlenen ter vervanging van het verlenen van medewerking door [verzoeker 1] c.s. aan de wijzigingsakte, met hun hoofdelijke veroordeling in de proceskosten. 4.2 [verzoeker 1] c.s. hebben verweer gevoerd. Daarbij hebben [verzoeker 1] en [verzoekster] tevens een voorwaardelijk tegenverzoek ingediend. Zij hebben verwijzing naar de schadestaatprocedure verzocht in het geval de machtiging zou worden verleend. 4.3 De kantonrechter heeft het verzoek om een vervangende machtiging toegewezen en [verzoeker 1] c.s. hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten, alles met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. In het kader van het voorwaardelijk tegenverzoek zijn [verweerder 2] c.s. veroordeeld tot vergoeding van de ten gevolge van de wijziging van de akte van splitsing veroorzaakte schade van [verzoeker 1] en [verzoekster] , nader op te maken bij staat. 5 Verzoek in hoger beroep 5.1 [verzoeker 1] c.s. zijn met zeven grieven in hoger beroep gekomen. Zij verzoeken het hof primair om de beschikking van de kantonrechter te vernietigen. Subsidiair , indien de beschikking niet vernietigd wordt, verzoeken zij om een schadevergoeding voor [verzoeker 1] en [verzoekster] “wegens het feit dat [hun] bijdrage zal toenemen en bij de schadeberekening dient geen rekening gehouden te worden met de zogenaamde toename van het aandeel in het reservefonds”. 5.2 De bezwaren van [verzoeker 1] c.s. zien op de feitenvaststelling door de kantonrechter ( grief 1 ), op de verwerping door de kantonrechter van hun beroep op de niet-ontvankelijkheid van [verweerder 2] c.s. ( grief 2 ), op de gebreken in het aantal uitgebrachte stemmen ( grief 3 ), op de procespositie van [verzoeker 2] ( grief 4 ), op de bevoordeling van appartementseigenaar [verweerder 48] ( grief 5 ), op de door hen gestelde fiscaal nadelige gevolgen van de voorgestelde wijzigingsakte, de door hen gestelde risico’s die samenhangen met de veranderingen ten aanzien van de kamers, garages en kelderboxen en de door hen gestelde toename van lasten voor de VvE ( grief 6 ) en op de volgens [verzoeker 1] c.s. onjuiste opvatting dat het aandeel in het reservefonds meegenomen moet worden “in de schadeberekening voor toekomstige bijdragen” ( grief 7 ). 5.3 [verweerder 2] c.s. hebben verweer gevoerd en geconcludeerd tot bekrachtiging van de beschikking, met de hoofdelijke veroordeling van [verzoeker 1] c.s. in de proceskosten van het hoger beroep, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving. 6 Beoordeling in hoger beroep Formele vereisten verzochte machtiging (grieven 1, 2 en 3) 6.1 [verweerder 2] c.s. willen de bestaande splitsingsakte wijzigen. Omdat de voorgestelde wijziging mede inhoudt dat een gemeenschappelijk gedeelte in het appartementencomplex wordt toegedeeld aan een van de appartementseigenaars ( [verweerder 48] ) kan die wijziging volgens de hoofdregel van art. 5:139 lid 1 BW slechts worden geëffectueerd met de medewerking van alle appartementseigenaars . Deze medewerking kan worden vervangen door een rechterlijke machtiging als bedoeld in art. 5:140 lid 1 BW, maar dan moet die machtiging zijn verzocht door één of meer appartementseigenaars aan wie ten minste de helft van het aantal stemmen in de vergadering van eigenaars toekomt (art. 5:140 lid 2 BW). 6.2 In de onderhavige zaak is het verzoek om een vervangende machtiging ingediend door in elk geval de 58 onderscheiden appartementseigenaars die in dit hoger beroep optreden als procespartij. [verweerder 2] c.s. hebben onweersproken aangevoerd dat deze personen tezamen beschikken over 62 van de 70 stemmen in de vergadering. Dat betekent dat wordt voldaan aan het vereiste van art. 5:140 lid 2 BW dat de verzoekers tot afgifte van een vervangende rechterlijke machtiging tezamen ten minste de helft van de stemmen in de vergadering vertegenwoordigen. 6.3 In het licht hiervan is niet (meer) relevant dat de VvE volgens [verzoeker 1] c.s. geen rechtsgeldig afgegeven procesvolmacht van de vergadering van eigenaars zou hebben of dat de voor een wijziging van een splitsingsakte volgens hen geldende 80% norm van het aantal geldig uitgebrachte stemmen niet zou zijn gehaald. [verweerder 2] c.s. verzoeken de rechterlijke machtiging nu juist omdat niet alle appartementseigenaars aan de wijziging willen meewerken, en aan de vereisten voor dàt verzoek is voldaan. De grieven 1 tot en met 3 falen nu dit uitgangspunt daarin wordt miskend en het hof overigens zelfstandig de voor de beoordeling in hoger beroep van belang zijnde feiten vaststelt. Weigering [verzoeker 1] c.s. zonder redelijke grond? (grieven 4, 5 en 6) 6.4 Het verzoek om afgifte van een rechterlijke machtiging kan ingevolge art. 5:140 lid 1 BW worden toegewezen als de medewerking aan de wijziging door de betrokken appartementseigenaar(s) ‘zonder redelijke grond’ wordt geweigerd. (a) wat betreft de gestelde verschillen tussen de conceptaktes uit 2019 en 2023 6.5 [verzoeker 1] c.s. hebben zich er onder meer over beklaagd dat in de conceptakte versie 2023 die de notaris per e-mail van 10 januari 2024 naar de appartementseigenaars heeft gestuurd, nieuwe onderdelen zijn toegevoegd die in het eerdere concept van 15 oktober 2019 niet waren opgenomen. 6.6 [verweerder 2] c.s. hebben bestreden dat de beide conceptaktes inhoudelijk van elkaar verschillen. Daarbij hebben zij verwezen naar de toelichting van de notaris in zijn begeleidende e-mail van 10 januari 2024 bij de conceptakte versie 2023. De notaris schrijft daarin dat in een (toen) recente uitspraak van de Hoge Raad is geoordeeld dat voor een wijziging van de splitsingsakte waarbij, zoals hier, gemeenschappelijke ruimte wordt toegevoegd aan een appartementsrecht, een meerderheid van 80% van het aantal stemmen niet meer volstaat, maar de medewerking van alle appartementseigenaars vereist is. Dat brengt volgens de notaris mee dat niet het bestuur, maar alsnog alle eigenaren hun medewerking moeten verlenen aan de wijziging. De notaris vervolgt dan: “ De medewerking kan door middel van een volmacht, waarvan ik u bijgaand een voorbeeld toestuur. Alleen uw persoonlijke gegevens dienen daar nog te worden ingevuld. De notariële akte, voor zover het de wijziging van de splitsing betreft, wijzigt inhoudelijk niet. De enige wijziging is dat u als partij bij de akte optreedt in plaats van als ‘gerechtigde’, zoals nu in de akte vermeld .” [onderstreping hof]. Weliswaar betreft de conceptakte versie 2023 154 pagina’s, waar het concept van 15 oktober 2019 slechts 67 pagina’s telt, maar volgens [verweerder 2] c.s. is het verschil in omvang voornamelijk het gevolg van de in de conceptakte versie 2023 opgenomen persoonlijke gegevens, indexnummers en kadastrale verwijzingen, waar die in het concept van 2019 nog ontbraken. 6.7 Dat sprake is van een (relevante) inhoudelijke wijziging of uitbreiding in de conceptakte versie 2023 ten opzichte van die uit 2019 is het hof, mede gelet op het gemotiveerde verweer van [verweerder 2] c.s., niet gebleken. Voor zover [verzoeker 1] c.s. doelen op de ‘wijzigingen’ genoemd in de randnummers 1, 2 en 3 van de conceptvolmacht die de notaris op 10 januari 2024 heeft rondgestuurd en de daarin onder 3 tevens genoemde vijf bergingen, geldt dat dit blijkens de overige bewoordingen waarin de conceptvolmacht is gesteld, de voorgestelde ‘wijzigingen’ betreffen ten opzichte van de bestaande splitsingsakte, en dus niet ten opzichte van de conceptakte uit 2019. Terecht hebben [verweerder 2] c.s. erop gewezen dat de vijf in het souterrain gecreëerde bergingen zowel in de splitsingstekening behorende bij de conceptversie van 2019 zijn opgenomen, als in die bij de versie uit 2023, zij het dat daarbij andere indexnummers staan genoemd. Ook wat betreft de door [verzoeker 1] c.s. (direct en indirect) aangevochten ‘toevoeging van gemeenschappelijke ruimte aan een appartementsrecht’ zijn de conceptversies gelijkluidend, met dien verstande dat in de versie van 2023 nader is vermeld om welke gemeenschappelijke ruimte het gaat en aan welk appartementsrecht die wordt toegevoegd. Dat het daarbij ging om een toedeling aan [verweerder 48] kan gelet op de aanwezigheid van [verzoeker 1] op de ALV van 19 april 2017 overigens geen verrassing zijn geweest. Het bezwaar van [verzoeker 1] c.s. mist dus feitelijke grondslag en kan reeds daarom geen ‘redelijke grond’ vormen voor hun weigering om medewerking te verlenen aan de wijzigingsakte. 6.8 Dat laatste geldt temeer voor [verzoeker 2] . Uit de (mede) door [verzoeker 2] ondertekende vaststellingsovereenkomst van 11 augustus 2022 blijkt dat [verzoeker 2] ermee heeft ingestemd dat hij tegen betaling door de VvE van een eenmalige schadevergoeding aan de vijf betrokken tegenstemmers van totaal € 13.350,-, zijn bezwaren tegen het VvE-besluit van 21 november 2019 intrekt en verder akkoord gaat met het passeren van de gewijzigde akte van splitsing van 15 oktober 2019. Nu, zoals hiervoor is overwogen, niet is gebleken van “nieuwe onderdelen die beoogd worden toegevoegd te worden aan het concept van 15 oktober 2019” dient er dus van te worden uitgegaan dat de instemming van [verzoeker 2] ook geldt voor de wijzigingsakte versie 2023, die inhoudelijk dezelfde is als die waaraan hij in de vaststellingsovereenkomst van 11 augustus 2022 zijn akkoord heeft gegeven. (b) wat betreft de toedeling aan [verweerder 48] 6.9 [verzoeker 1] c.s. hebben zich verder erover beklaagd dat één van de aan [verweerder 48] toegedeelde gemeenschappelijke ruimtes, de berging in het souterrain, aan [verweerder 48] is toegezegd terwijl die berging altijd in gebruik was bij de huismeester en de leden van de vergadering van eigenaars over die toezegging niet voorafgaand zijn geconsulteerd. Zij wijzen erop dat als een ruimte van de gemeenschap vrij komt, er ook andere gegadigden voor die ruimte kunnen zijn. In de besluitvorming van de ALV op 21 november 2019 is de overdracht van de berging niet aan de orde geweest, terwijl daarover volgens [verzoeker 1] c.s. een apart besluit genomen had moeten worden. Deze schendingen van het recht zijn zo ernstig dat daarmee in redelijkheid niet kan worden ingestemd. De voorgestelde overdrachtsprijs van € 1,- voor de berging is onbegrijpelijk, niet marktconform en niet in overeenstemming met het gemeenschapsrecht, aldus [verzoeker 1] c.s. 6.10 [verweerder 2] c.s. hebben er wat dit punt betreft op gewezen dat [verweerder 48] en zijn rechtsvoorgangers al vanaf 1988 enkele gemeenschappelijke gedeelten op de parterre in gebruik hadden. Het ging daarbij om de gang, een stuk hal en een toiletgroep van de VvE. Deze gedeelten waren al meer dan 30 jaar ontoegankelijk voor de andere leden van de VvE, waardoor volgens [verweerder 2] c.s. sprake is van verkrijgende verjaring. Sinds 2014 heeft het toenmalige bestuur van de VvE gezocht naar een oplossing om deze situatie te legaliseren. Dit onderwerp is ook regelmatig ter sprake gebracht in de algemene vergadering van eigenaars. Uiteindelijk is volgens [verweerder 2] c.s. besloten dat [verweerder 48] de gang en de hal op de parterre toegevoegd krijgt aan zijn privégedeelte en dat de toiletgroep zou worden ‘teruggegeven’ aan de VvE, tegen ‘uitruiling’ van een berging van de VvE in het souterrain. Het gaat daarbij om de berging van 4,16 m2 die [verweerder 48] in gebruik had nadat de huismeester van de VvE had aangegeven deze niet meer nodig te hebben. De wijzigingsakte behelst dus alleen de formalisering van de feitelijke, grotendeels al langer dan 30 jaar bestaande situatie, aldus nog steeds [verweerder 2] c.s. 6.11 In de ALV van 21 november 2019 zijn de wijzigingsvoorstellen uit de conceptwijzigingsakte van 15 oktober 2019 met 60 van de 68 stemmen aangenomen. Enkele tegenstemmers, waaronder [verzoeker 2] , zijn tegen dit besluit in rechte opgekomen, maar in de vaststellingsovereenkomst van 11 augustus 2022 hebben zij zich, tegen betaling door de VvE van een eenmalige schadevergoeding, alsnog bij de wijzigingen neergelegd. Volgens [verweerder 2] c.s. is de situatie nu dat alle appartementseigenaars, behalve [verzoeker 1] en [verzoekster] , uiteindelijk hun akkoord hebben gegeven op de wijzigingsakte. In die wijzigingsakte is als een van de voorgestelde wijzigingen opgenomen dat in de tekening aangeduide ruimten zouden worden toegevoegd aan een van de appartementsrechten. In de conceptwijzigingsakte uit 2023 is nader opgenomen dat het bij de toe te voegen ruimten gaat om de in de tekening met ‘gang’, ‘hal, en ‘magazijn’ (het hof begrijpt: de berging) aangeduide ruimten en dat die ruimten worden toegevoegd aan het appartementsrecht met indexnummer [indexnummer 4] (het appartementsrecht van [verweerder 48] ). Dat betekent dat het akkoord van de appartementseigenaars met de in de akte voorgestelde wijzigingen mede hun akkoord impliceert met het onderdeel waarbij de berging (‘magazijn’) wordt toegevoegd aan het appartementsrecht van [verweerder 48] . 6.12 Het hof is het met [verzoeker 1] c.s. eens dat op zichzelf sprake is van een bevoordeling van [verweerder 48] , omdat hij ruimten aan zijn privégedeelten toegevoegd krijgt ten koste van de gemeenschappelijke gedeelten. [verweerder 2] c.s. hebben echter aangevoerd dat (de rechtsvoorgangers van) [verweerder 48] deze ruimten grotendeels al meer dan 30 jaar ongestoord in gebruik heeft (hebben) gehad en [verzoeker 1] c.s. hebben dat niet voldoende gemotiveerd betwist. Dat geldt ook voor de toiletgroep op de parterre, die uiteindelijk met de kennelijke instemming van de appartementseigenaars is ‘uitgeruild’ tegen de berging in het souterrain. De omstreden bevoordeling van [verweerder 48] is dus niet zozeer het gevolg van de wijzigingen die nu in de conceptakte zijn voorgesteld, maar veeleer van het langdurige, ongestoorde gebruik van deze ruimten door [verweerder 48] (en zijn rechtsvoorgangers) en de daardoor (mogelijk) ontstane verjaring van het vorderingsrecht van de VvE tot beëindiging van dat gebruik. Dat de ‘uitruil’ van de toiletgroep tegen de berging (al dan niet onder bijbetaling door [verweerder 48] van slechts € 1,-) op zichzelf beschouwd al een bevoordeling van [verweerder 48] zou opleveren is het hof zonder toelichting, die ontbreekt, niet gebleken. Ook aan dit argument kunnen [verzoeker 1] c.s. dus geen ‘redelijke grond’ ontlenen voor hun weigering om mee te werken. (c) wat betreft de gestelde nadelige gevolgen van de beoogde splitsing 6.13 [verzoeker 1] c.s. hebben verder aangevoerd dat het huidige appartementsrecht van [verzoeker 1] en [verzoekster] , bestaande uit een woning en drie aanhorigheden (zolderkamer, kelderbox en garage), fiscaal wordt gezien als één appartementsrecht, terwijl de voorgestelde splitsing in vier verschillende appartementsrechten een nieuwe fiscale kwalificatie zal opleveren met gevolgen voor bijvoorbeeld de bijtelling in Box 3. [verzoeker 1] c.s. hebben deze stelling echter niet van een nadere specificatie of onderbouwing voorzien, hetgeen met het oog op de gemotiveerde betwisting van de juistheid ervan door [verweerder 2] c.s. én de overwegingen van de kantonrechter onder rov. 4.15 van de bestreden beschikking wél op hun weg had gelegen. Het hof gaat dan ook aan dit argument voorbij. 6.14 Daarnaast hebben [verzoeker 1] c.s. als bezwaar tegen de wijzigingsakte naar voren gebracht dat de beoogde uitbreiding van het aantal appartementsrechten de verwerving van een garage of kelderbox door ongewenste derden – niet zijnde bewoners van de parkflat – en ongewenste wijzen van gebruik mogelijk maakt en bovendien de administratieve lasten voor de VvE zal doen toenemen. 6.15 [verweerder 2] c.s. hebben deze bezwaren gemotiveerd weersproken. Zij hebben aangevoerd dat in de huidige situatie het ondersplitsen geen enkele beperking of voorwaarde kent, waardoor allerlei ondersplitsingen zijn ontstaan zonder actieve VvE. In de nieuwe situatie wordt dit voorkomen en wordt ook voorzien in een aanbiedingsplicht (ex art. 42 van het nieuwe Reglement) van appartementsrechten die niet betrekking hebben op een woonappartement aan de andere woningeigenaars van het complex. Bovendien wordt met de wijziging in het nieuwe Reglement uitvoerig voorzien in bepalingen omtrent het gebruik, beheer en onderhoud van de privé gedeelten. Zoals [verweerder 2] c.s. terecht betogen volgt daaruit dat de wijzigingsakte juist méér waarborgen biedt tegen het door (ongewenste) derden verkrijgen van een appartementsrecht en tegen ongewenste wijzen van gebruik. Daarnaast hebben [verweerder 2] c.s. erop gewezen dat de huidige situatie, waarin voor de mogelijkheden van ondersplitsing geen beperkingen gelden, zorgt voor veel (controle)druk bij het VvE bestuur. Door het opheffen van de ondersplitsingen wordt het dus gemakkelijker gemaakt voor de VvE om toezicht te houden, zodat die opheffing eerder een besparing dan een toename van administratiekosten oplevert. Deze bezwaren van [verzoeker 1] c.s. kunnen dus evenmin een ‘redelijke grond’ voor hun weigering opleveren. Slotsom ten aanzien van de weigering van [verzoeker 1] c.s. 6.16 Het hof komt op grond van al het vorenoverwogene tot de conclusie dat [verzoeker 1] c.s. zonder ‘redelijke grond’ weigeren om hun medewerking te verlenen aan de wijziging van de splitsingsakte. Ook als het hof rekening houdt met alle overige door partijen naar voren gebrachte (relevante) omstandigheden dient een afweging van de wederzijdse belangen in het nadeel van [verzoeker 1] c.s. uit te vallen. De gemeenschappelijke ruimten die al lange tijd bij [verweerder 48] en zijn rechtsvoorgangers in bezit zijn -een situatie waarvan [verzoeker 1] c.s. niet hebben betwist dat daartegen niet meer kan worden opgekomen-, komen door de wijzigingsakte buiten de gemeenschap te vallen, zodat de gemeenschap niet meer aan de kosten daarvan hoeft bij te dragen. Een persoonlijk belang bij een andere uitkomst hebben [verzoeker 1] c.s., anders dan de hierna onder rov. 6.18 e.v. besproken nadelige financiële gevolgen waarvoor [verweerder 2] c.s. in beginsel een vergoeding willen betalen, niet gesteld. [verweerder 2] c.s. hebben er verder terecht op gewezen dat de wijzigingsakte leidt tot meer efficiency en betere handhavings- en toezichtmogelijkheden, doordat alle appartementsrechten één VvE, één administratie en één bestuur krijgen. Het ontbreekt [verzoeker 1] c.s. aan enig belang om daaraan niet te willen meewerken. De grieven 4 tot en met 6 leiden daarmee evenmin tot resultaat. 6.17 Het hoger beroep van [verzoeker 1] c.s. tegen de onder 5.2 tot en met 5.6 van de bestreden beschikking vermelde beslissingen slaagt dus niet. Tegenverzoek [verzoeker 1] en [verzoekster] (grief 7) 6.18 In hun zevende grief komen [verzoeker 1] c.s. op tegen de door de kantonrechter voorgestane berekening van de schade waarvoor onder 5.6 (bedoeld zal zijn: 5.7) van de bestreden beschikking verwijzing naar de schadestaatprocedure is gevolgd. Zij hebben voor het (gelet op het vorenoverwogene zich voordoende) geval de beschikking niet wordt vernietigd het subsidiaire verzoek gedaan dat aan [verzoeker 1] en [verzoekster] de schade wordt vergoed die het gevolg is van de toename van hun bijdrage, waarbij “geen rekening gehouden [dient] te worden met de zogenaamde toename van het aandeel in het reservefonds”. 6.19 [verweerder 2] c.s. hebben in dit verband naar voren gebracht dat [verzoeker 1] en [verzoekster] niet eerder een concrete aanspraak op enige schadevergoeding hebben gemaakt, zodat zij zich ook niet eerder hebben gebogen over enig bedrag aan financiële compensatie. Zij voeren aan dat de financiële compensatie hoe dan ook gering zal zijn, omdat de schadelijke gevolgen van de wijzigingsakte ook zeer gering zijn. Daarbij hebben zij verwezen naar de vaststellingsovereenkomst van 11 augustus 2022, waarin [verzoeker 2] en vier andere appartementsrechteigenaars akkoord zijn gegaan met een financiële compensatie van in totaal € 13.350,-. Volgens hen volgt uit het eerdergenoemde, tussen die vijf appartementseigenaars en de VvE gewezen vonnis van 15 december 2021, welk vonnis aan die schikking is voorafgegaan, dat een schadecompensatie van in totaal tussen € 1.985,- en € 2.480,- een afdoende schadeloosstelling is voor een appartementseigenaar met vergelijkbare appartementsrechten als die van [verzoeker 1] en [verzoekster] . [verweerder 2] c.s. menen dat het hof de schadecompensatie op basis van genoemd vonnis zelf kan begroten teneinde een opvolgende schadestaatprocedure te voorkomen. 6.20 Het hof stelt voorop dat het aan [verzoeker 1] en [verzoekster] is om te stellen, en bij betwisting te bewijzen, dat en tot welk bedrag zij ten gevolge van de wijzigingsakte schade lijden. Daarover hebben zij zich nog niet concreet uitgelaten. Evenmin hebben zij concreet gereageerd op het voorstel van [verweerder 2] c.s. om in lijn met het eerder genoemde vonnis van de rechtbank Den Haag van 15 december 2021 uit te gaan van een schadecompensatie ter hoogte van een bedrag tussen € 1.985,- en € 2.480,-. Het hof ziet hierin aanleiding om de zaak (alleen) voor wat betreft het door [verzoeker 1] en [verzoekster] ingediende (en door grief 7 opnieuw open liggende) tegenverzoek te verwijzen naar de rol voor het nemen van een nadere akte. Daarin kunnen [verzoeker 1] en [verzoekster] hun schade onderbouwen en zich alsnog uitlaten over het door [verweerder 2] c.s. voorgestelde bedrag aan schadecompensatie, ervan uitgaande dat hun percentage in het hele appartementencomplex is toegenomen met 0,07%, zoals de rechtbank heeft overwogen. [verweerder 2] c.s. mogen daarna desgewenst nog een antwoordakte nemen. 6.21 Het hof houdt iedere verdere beslissing aan. 7 Beslissing Het hof: verwijst de zaak naar de rol van 10 februari 2026 voor het nemen van de in rov. 6.20 bedoelde akte aan de zijde van [verzoeker 1] en [verzoekster] ; houdt iedere verdere beslissing aan. Deze beschikking is gegeven door mr. A.E.A.M. van Waesberghe, mr. A.M. Voorwinden en mr. H.J. Rossel en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2026 in aanwezigheid van de griffier. ECLI:NL:RBDHA:2021:7911 ECLI:NL:RBDHA:2021:13737 Hoge Raad 24 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:286