ECLI:NL:GHSHE:2002:AD8680
ECLI:NL:GHSHE:2002:AD8680 text/xml public 2015-11-10T13:51:07 2013-04-04 Raad voor de Rechtspraak nl AD8680 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2002-01-10 C0000506/MA Uitspraak Hoger beroep NL Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2002:AD8680 text/html public 2013-04-04T17:33:06 2002-01-31 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2002:AD8680 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 10-01-2002 / C0000506/MA - typ. GH rolnr. C0000506/MA ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH, vierde kamer, van 10 januari 2002, gewezen in de zaak van: [curator], in zijn hoedanigheid van curator over de onbeheerde nalatenschap van [erflater], wonende en kantoorhoudende te [woonplaats], appellant bij exploot van dagvaarding van 13 april 2000, procureur: mr. J.H.M. Erkens, tegen: DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST/ONDERNEMINGEN ROERMOND, kantoorhoudende te Roermond, geïntimeerde bij gemeld exploot; procureur: mr. J.E. Lenglet, op het hoger beroep tegen het door de rechtbank te Maastricht gewezen vonnis van 13 januari 2000 tussen appellant - de curator - als gedaagde en geïntimeerde - de Ontvanger - als eiser. 1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 39117/HA ZA 98-565) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis. 2. Het geding in hoger beroep 2.1. Bij memorie van grieven heeft de curator één grief aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot afwijzing van de vorderingen van de Ontvanger althans tot bepaling dat de rechtbank te Maastricht, na verwijzing, rekening dient te houden met de gestelde overeenstemming tussen de curator en de benoemend rechter over de wijze van afhandeling van de onbeheerde nalatenschap, in dier voege dat gelet op de gelijkstelling met de faillissementssituatie het bepaalde in artikel 476a Rv buiten werking dient te blijven. 2.2. Bij memorie van antwoord heeft de Ontvanger de grief bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis. 2.3. Partijen hebben daarna de gedingstukken aan het hof overgelegd en uitspraak gevraagd. 3. De gronden van het hoger beroep De grief houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de wetgever in de artikelen 4:1174 en 1176 BW de taak van de curator van een onbeheerde nalatenschap op voldoende wijze heeft omschreven en dat de curator in overeenstemming met die bepalingen zijn taak dient uit te oefenen, zonder rekening te houden met het verweer van de curator dat hij bij gebrek aan een voldoende houvast biedende wettelijke regeling na overleg met en instemming van de benoemend rechter voor zoveel mogelijk de vereffening ter hand heeft genomen als ware er sprake van een vereffening in het kader van een faillissement. 4. De beoordeling 4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende. 4.1.1. Op 15 november 1993 is overleden [erflater]. Bij beschikking van de rechtbank te Maastricht van 9 december 1993 is [curator] benoemd tot curator over de onbeheerde nalatenschap van [erflater]. 4.1.2. De Ontvanger heeft op 16 december 1996 ten laste van (de erven van) [erflater] onder de curator executoriaal derdenbeslag doen leggen uit hoofde van de in het beslagexploot vermelde dwangbevelen tot verhaal van een vordering groot fl. 43.887,-- te vermeerderen met invorderingsrente. Van die vordering staat thans nog fl. 26.075,-- open, te vermeerderen met fl. 1.470,-- aan kosten en met invorderingsrente. 4.1.3. De curator is, ook na sommatie door de Ontvanger, in gebreke gebleven met het doen van verklaring als bedoeld in artikel 476a Rv. 4.1.4. In deze procedure vordert de curator, verkort en zakelijk weergegeven, primair: a. dat de curator in rechte verklaring, met reden omkleed, zal doen van de vorderingen en zaken die door het beslag zijn getroffen; b. dat de curator, nadat die verklaring door hem zal zijn gedaan en door de Ontvanger goedgekeurd of in geval van tegenspraak door de rechter zal zijn vastgesteld, bij vonnis zal worden veroordeeld om de geldsommen die door het b