Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2010-11-02
ECLI:NL:GHSHE:2010:BO6869
Strafrecht
Parketnummer: 20-004670-09 Uitspraak: 2 november 2010 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Breda, sector kanton, locatie Breda, van 11 december 2009, parketnummer 02-407762-08 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 02-407854-06, in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [1974], zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande, thans uit anderen hoofde verblijvende in Huis van Bewaring Grave (Unit A + B) te Grave. Hoger beroep De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechter in eerste aanleg zal vernietigen en te dien aanzien, opnieuw rechtdoende, bewezen zal verklaren hetgeen aan verdachte onder 1 en 3 ten laste is gelegd en hem daarvoor telkens zal veroordelen tot één week hechtenis. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde hechtenis voor de duur van één maand - onder parketnummer 02-407854-06 - zal worden toegewezen, maar dat deze maand hechtenis zal worden omgezet in een werkstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis. Vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat de kantonrechter kon volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering. Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: 1. hij op of omstreeks 16 mei 2008 in de gemeente Eindhoven en/of in de gemeente Tilburg, althans in elk geval op het baanvak, gelegen tussen de stopstations Eindhoven en Tilburg, gebruik heeft gemaakt van het openbaar vervoer, te weten een reizigerstrein (nummer 21456), zonder een hiervoor geldig vervoersbewijs; 2. hij op of omstreeks 8 juni 2008 in de gemeente Tilburg en/of in de gemeente Breda, althans in elk geval op het baanvak, gelegen tussen de stopstations Tilburg en Breda, gebruik heeft gemaakt van het openbaar vervoer, te weten een reizigerstrein (nummer 1962), zonder een hiervoor geldig vervoersbewijs; 3. hij op of omstreeks 15 juni 2008 in de gemeente Tilburg en/of in de gemeente Eindhoven, althans in elk geval op het baanvak, gelegen tussen de stopstations Tilburg en Eindhoven, gebruik heeft gemaakt van het openbaar vervoer, te weten een reizigerstrein (nummer 1976), zonder een hiervoor geldig vervoersbewijs. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie Door de raadsman is ter terechtzitting in hoger beroep - op aangeven van de advocaat-generaal - aangevoerd dat het openbaar ministerie in zijn strafvervolging niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard, omdat het in de onderhavige zaak niet tot een beslissing tot vervolging had mogen komen. Daartoe heeft de raadsman - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. Op grond van artikel 48 van het Besluit personenvervoer 2000 (hierna: het Besluit) dient een persoon die zonder geldig vervoersbewijs in het openbaar vervoer wordt aangetroffen tweemaal in de gelegenheid te worden gesteld om de vervoersprijs (inclusief verhoging en vermeerderd met administratiekosten) alsnog te betalen. Indien vervolgens alsnog wordt betaald binnen de termijn, vervalt op grond van artikel 48, zevende lid, van het Besluit het recht op strafvervolging. Nu op grond van het dossier niet kan worden vastgesteld of verdachte twee maal in de gelegenheid is gesteld om alsnog te betalen, had het openbaar ministerie (nog) niet mogen overgaan tot vervolging van verdachte. Het hof overweegt het volgende. In het dossier bevinden zich de volgende stukken: • Een proces-verbaal d.d. 18 september 2008, ondertekend door buitengewoon opsporingsambtenaar [naam opsporingsambtenaar 1] en inhoudende - zakelijk weergegeven - onder meer het volgende: ‘Op 16 mei 2008 voerde ik tijdens mijn dienst een vervoersbewijzencontrole uit. In een afdeling 2e klasse trof ik een reiziger aan, die desgevraagd niet ter controle aan mij als toezichthouder een geldig vervoersbewijs toonde of overhandigde. Op grond van artikel 48, eerste lid, Besluit personenvervoer 2000, vorderde ik van de reiziger mij de vervoersprijs te voldoen. De reiziger voldeed niet aan deze vordering. Daarnaar gevraagd gaf hij mij op te zijn: [verdachte], geboren op [1974] te [geboorteplaats]. (…) Overeenkomstig het bepaalde in artikel 48, lid 5 is verdachte in de gelegenheid gesteld de vervoerprijs inclusief de verhoging alsnog binnen een week te betalen. Verdachte heeft hiervan geen gebruik gemaakt. Vervolgens is verdachte overeenkomstig het bepaalde in artikel 48, lid 6, van dat Besluit alsnog in de gelegenheid gesteld om binnen de daarvoor gestelde termijn de vervoerprijs, inclusief de verhoging en vermeerderd met administratiekosten te voldoen. Verdachte heeft ook hiervan geen gebruik gemaakt.’ • Een proces-verbaal d.d. 25 augustus 2008, ondertekend door buitengewoon opsporingsambtenaar [naam opsporingsambtenaar 2] en inhoudende - zakelijk weergegeven - onder meer het volgende: ‘Op 8 juni 2008 voerde ik tijdens mijn dienst een vervoersbewijzencontrole uit. In een afdeling 2e klasse trof ik een reiziger aan, die desgevraagd niet ter controle aan mij als toezichthouder een geldig vervoersbewijs toonde of overhandigde. Op grond van artikel 48, eerste lid, Besluit personenvervoer 2000, vorderde ik van de reiziger mij de vervoersprijs te voldoen. De reiziger voldeed niet aan deze vordering. Daarnaar gevraagd gaf hij mij op te zijn: [verdachte], geboren op [1974] te [geboorteplaats]. (…) Overeenkomstig het bepaalde in artikel 48, lid 5 is verdachte in de gelegenheid gesteld de vervoerprijs inclusief de verhoging alsnog binnen een week te betalen. Verdachte heeft hiervan geen gebruik gemaakt. Vervolgens is verdachte overeenkomstig het bepaalde in artikel 48, lid 6, van dat Besluit alsnog in de gelegenheid gesteld om binnen de daarvoor gestelde termijn de vervoerprijs, inclusief de verhoging en vermeerderd met administratiekosten te voldoen. Verdachte heeft ook hiervan geen gebruik gemaakt.’ • Een proces-verbaal d.d. 1 september 2008, ondertekend door buitengewoon opsporingsambtenaar [naam opsporingsambtenaar 3] en inhoudende - zakelijk weergegeven - onder meer het volgende: ‘Op 15 juni 2008 voerde ik tijdens mijn dienst een vervoersbewijzencontrole uit. In een afdeling 2e klasse trof ik een reiziger aan, die desgevraagd niet ter controle aan mij als toezichthouder een geldig vervoersbewijs toonde of overhandigde. Op grond van artikel 48, eerste lid, Besluit personenvervoer 2000, vorderde ik van de reiziger mij de vervoersprijs te voldoen. De reiziger voldeed niet aan deze vordering. Daarnaar gevraagd gaf hij mij op te zijn: [verdachte], geboren op [1974] te [geboorteplaats]. (…) Overeenkomstig het bepaalde in artikel 48, lid 5 is verdachte in de gelegenheid gesteld de vervoerprijs inclusief de verhoging alsnog binnen een week te betalen. Verdachte heeft hiervan geen gebruik gemaakt. Vervolgens is verdachte overeenkomstig het bepaalde in artikel 48, lid 6, van dat Besluit alsnog in de gelegenheid gesteld om binnen de daarvoor gestelde termijn de vervoerprijs, inclusief de verhoging en vermeerderd met administratiekosten te voldoen. Strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde. Op te leggen straf of maatregel Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Door de raadsman is ter terechtzitting aangevoerd dat toepassing moet worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, aangezien verdachte recent voor de duur van twee jaren is geplaatst in een inrichting voor stelselmatige daders, verdachte noch openbaar ministerie tegen oplegging van deze maatregel hoger beroep heeft ingesteld en verdachte bovendien volledige medewerking wil verlenen, zodat hij na afloop van deze twee jaren met een schone lei kan beginnen. Het hof overweegt het volgende. Anders dan de raadsman acht het hof geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het rechterlijk pardon als bedoeld in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. In aanmerking genomen hetgeen de raadsman ter terechtzitting heeft aangevoerd ten aanzien van de aan verdachte opgelegde ISD-maatregel - het feit dat het vonnis waarbij de ISD-maatregel aan verdachte is opgelegd onherroepelijk is en verdachtes motivatie om hieraan volledig te zullen meewerken - zal het hof, in afwijking van hetgeen de advocaat-generaal heeft gevorderd, de verdachte thans voor elk van de bewezen verklaarde feiten een geheel voorwaardelijke hechtenis opleggen en daarbij de proeftijd bepalen op drie jaren. Het hof heeft bij de op te leggen straf geen rekening gehouden met de op de tenlastelegging ad informandum vermelde feiten, aangezien de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep te kennen heeft gegeven, dat hij zich het recht voorbehoudt de verdachte ten aanzien van deze feiten afzonderlijk strafrechtelijk te vervolgen. Vordering tot tenuitvoerlegging De vordering tot tenuitvoerlegging van na te melden straf dient naar het oordeel van het hof te worden afgewezen, nu het hof in het licht van de persoonlijke omstandigheden van verdachte geen termen aanwezig acht de vordering toe te wijzen. Toepasselijke wettelijke voorschriften Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft. Strafbaarheid van het bewezen verklaarde Het bewezen verklaarde is telkens voorzien bij artikel 70, eerste lid, van de Wet Personenvervoer 2000 en strafbaar gesteld bij artikel 101, eerste lid, van voornoemde wet. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het hof: Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht. Verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij. Verklaart dat het bewezen verklaarde telkens oplevert: Niet naleven van het bepaalde bij artikel 70, eerste lid, van de Wet personenvervoer 2000. Verklaart verdachte strafbaar. Ten aanzien van feit 1: Veroordeelt verdachte tot hechtenis voor de duur van 1 (één) week. Bepaalt, dat de hechtenis niet zal worden ten uitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Ten aanzien van feit 2: Veroordeelt verdachte tot hechtenis voor de duur van 1 (één) week. Bepaalt, dat de hechtenis niet zal worden ten uitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Ten aanzien van feit 3: Veroordeelt verdachte tot hechtenis voor de duur van 1 (één) week. Bepaalt, dat de hechtenis niet zal worden ten uitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Wijst de vordering van de officier van justitie in het arrondissement te Breda van 29 december 2008, strekkende tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Breda van 26 juni 2007 - onder parketnummer 02-407854-06 - voorwaardelijk opgelegde hechtenis, af. Aldus gewezen door mr. Y.G.M. Baaijens- van Geloven, voorzitter, mr. J.M. Reijntjes en mr. F.A.G.M. Vluggen, in tegenwoordigheid van mr. J. Biljard, griffier, en op 2 november 2010 ter openbare terechtzitting uitgesproken.