Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2014-07-15
ECLI:NL:GHSHE:2014:2173
Civiel recht
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH Afdeling civiel recht zaaknummer HD 200.150.235/01 arrest van 15 juli 2014 in de zaak van [de vrouw] , wonende te [woonplaats], appellante, hierna aan te duiden als [appellante], advocaat: mr. J. in 't Ven te Kerkrade, tegen Stichting Wonen Zuid, gevestigd te [vestigingsplaats], geïntimeerde, hierna aan te duiden als Wonen Zuid, advocaat: mr. A.N.A.G. Boer te Klimmen, op het bij exploot van dagvaarding van 27 mei 2014 ingeleide hoger beroep van het vonnis in kort geding van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 29 april 2014 (zie ten aanzien van de datum hierna onder 3.1.), gewezen tussen [appellante] als eiseres en Wonen Zuid als gedaagde. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding in hoger beroep met grieven, eiswijziging en twee producties; - de memorie van antwoord met vier producties. Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. Ontvankelijkheid 3.1 Het hof heeft geconstateerd dat het bestreden vonnis in de kop melding maakt van uitspraakdatum 29 april 2014 en onder het dictum van uitspraakdatum 25 april 2014. Aangezien het appel te laat is ingesteld bij een uitspraak op 25 april 2014, heeft het hof ambtshalve navraag gedaan naar die uitspraakdatum. De griffie van de rechtbank Limburg heeft meegedeeld dat uit het audiëntieblad én de dagstempel op de grosse blijkt dat het vonnis is uitgesproken op 29 april 2014. Het hof gaat derhalve van die uitspraakdatum uit. Gelet op de aard van deze informatie en nu beide partijen kennelijk ook van die datum zijn uitgegaan -Wonen Zuid heeft immers geen beroep gedaan op overschrijding van de appeltermijn- acht het hof geen termen aanwezig om partijen in de gelegenheid te stellen zich hierover nog nader uit te laten. [appellante] kan derhalve in het hoger beroep ontvangen worden. Inhoudelijk 3.2. De voorzieningenrechter heeft vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Het hof zal hierna een overzicht geven van deze relevante feiten, waarvan ook in hoger beroep kan worden uitgegaan: [appellante] heeft van Wonen Zuid gehuurd de woning gelegen te [plaats 1] aan de [perceel 1]. Bij vonnis van de kantonrechter van de Rechtbank Limburg, zittingsplaats Heerlen, van 17 april 2013 (zaaknr. 504747 CV EXPL 12-10735) is de huurovereenkomst tussen partijen ontbonden en is eiseres veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde en betaling aan gedaagde van - onder meer - de huurachterstand vermeerderd met rente en kosten. Nadien is [appellante] een andere woning gaan huren van Heem Wonen aan de [perceel 2] te [plaats 2]. Ten behoeve van die huurverplichting is aan [appellante] (wederom) huurtoeslag toegekend. Tussen partijen staat vast dat eiseres daarop de huurachterstand aan gedaagde heeft voldaan, maar de kosten niet. Wonen Zuid heeft op 16 oktober 2013 op grond van het vonnis van 17 april 2013 op de huurtoeslag van eiseres executoriaal derdenbeslag doen leggen onder de ontvanger van de Belastingdienst Utrecht. Daarbij is blijkens het proces-verbaal van de deurwaarder (productie 2 bij dagvaarding in eerste aanleg) executoriaal derdenbeslag gelegd om betaling te verkrijgen van de volgende bedragen:rente tot 10-10-2013 € 19,11 en verdere rente vanaf 10-10-2013 PMproceskosten € 954,17Betekening € 97,80Executiekosten € 87,43 Nasalaris € 121,00kosten van dit exploot € 150,12kosten overbetekening € 77,29 -------------------------- € 1.506,92 + PM 3.2.1. In de onderhavige procedure vordert [appellante] in eerste aanleg -samengevat- opheffing van het door Wonen Zuid op 16 oktober 2013 ten laste van haar gelegde executoriale derdenbeslag onder de Belastingdienst, alsmede terugbetaling van de aldus door Wonen Zuid geïncasseerde huurtoeslag vanaf november 2013 tot en met april 2014, volgens haar in totaal € 1.482,00 (6x € 247,00). 3.2.2. Aan deze vordering heeft [appellante], kort samengevat, primair ten grondslag gelegd dat sprake is van een beslagverbod ex art. 45 lid 1 aanhef en onder a van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir). Subsidiair heeft [appellante] aangevoerd dat het beslag vexatoir is omdat zij ten gevolge van het beslag haar huidige huur niet kan betalen, waardoor ontbinding van die huurovereenkomst en ontruiming dreigt. 3.2.3. Wonen Zuid heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen. 3.3. In het bestreden vonnis heeft de voorzieningenrechter de vordering van [appellante] afgewezen en [appellante] in de proceskosten veroordeeld. 3.4. [appellante] heeft in hoger beroep negen grieven aangevoerd. [appellante] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van haar gewijzigde eis, die als volgt luidt: Primair: - opheffing van het executoriaal derdenbeslag, althans veroordeling van Wonen Zuid tot opheffing van dat beslag binnen 24 uur na de betekening van dit arrest, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag dat Wonen Zuid hiermee in gebreke blijft; Subsidiair: - Wonen Zuid te bevelen dat zij, zolang het recht op de huurtoeslag is beslagen, bij de bepaling van de hoogte van de beslagvrije voet de verhoging met de woonkosten niet mag verminderen met die toeslag; Primair en subsidiair: Wonen Zuid te veroordelen om alle door haar ten onrechte in beslag genomen en geïncasseerde huurtoeslag te betalen aan [appellante], vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van inbeslagneming tot de dag van voldoening aan [appellante], met veroordeling van Wonen Zuid in de kosten van beide instanties vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van dit arrest. 3.4.1. Wonen Zuid heeft verweer gevoerd. 3.5. Het hof is van oordeel dat [appellante] ook in hoger beroep een spoedeisend belang heeft bij haar vordering. Dat volgt uit de aard van het geschil. 3.6. Met de grieven I tot en met V voert [appellante] aan dat art. 45 Awir zich verzet tegen een executoriaal derdenbeslag door een verhuurder (voor een vordering wegens niet-nakoming van de betalingsverplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst) op huurtoeslagen van de huurder toegekend in verband met een andere huurovereenkomst met betrekking tot een andere woning. 3.7. Bij de beantwoording van de vraag of art. 45 Awir zich verzet tegen een dergelijk beslag acht het hof het volgende van belang. Art. 475a lid 1 Rv bepaalt in het kader van executoriaal derdenbeslag: Het beslag strekt zich niet uit tot vorderingen of zaken die volgens de wet niet voor beslag vatbaar zijn (…) Art. 45 lid 1 Awir kent het volgende beslagverbod: Een tegemoetkoming is niet vatbaar voor vervreemding, verpanding, belening of beslag, waaronder begrepen beslag ingevolge faillissement of toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, tenzij het betreft beslag wegens: a. een vordering tot nakoming van een betalingsverplichting wegens een geleverde prestatie waarbij de betalingsverplichting ter zake van die prestatie oorzaak is voor de tegemoetkoming;(…) 3.8. Art. 45 Awir lid 1 formuleert aldus een beslagverbod op een tegemoetkoming, zoals de huurtoeslag. In lid 1 aanhef en onder a wordt daarvan uitgezonderd het beslag op de huurtoeslag wegens een vordering tot nakoming van een betalingsverplichting (huur) wegens een geleverde prestatie (terbeschikkingstelling van de woning), waarbij de betalingsverplichting (de huur) ter zake van die prestatie (die terbeschikkingstelling van de woning) oorzaak is voor de huurtoeslag. 3.9. Gelet op de formulering van de uitzonderingsbepaling onder a is sprake van een te ver verwijderd verband bij een beslag op huurtoeslagen die gelden als tegemoetkoming voor huurverplichtingen uit hoofde van een andere huurovereenkomst (voor een andere woning).