Rechtspraak Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2023-06-21
ECLI:NL:GHSHE:2023:2264
Strafrecht
Parketnummer : 20-001020-22 Uitspraak : 21 juni 2023 VERSTEK (DNIP) Arrest van de economische kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 25 april 2022 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 82-159485-18, 82-159427-18, 82-223154-21, 82-237031-21, 82-250617-17 en 82-250959-17, en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde straf, parketnummer 82-177384-16, tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1963, wonende te [adres 1] . Hoger beroep De economische kamer van de rechtbank heeft de verdachte bij vonnis waarvan beroep ter zake van het onder 1 tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 82-250959-17, het onder 1 tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 82-159427-18 en het onder 1, vijfde gedachtestreepje, in de zaak met parketnummer 82-237031-21 vrijgesproken. Voorts is de verdachte bij vonnis van beroep ter zake van ‘overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 8.40, eerste lid van de Wet Milieubeheer’ (het onder 1 en 2 tenlastelegde in de zaak met parketnummer 82-159485-18, het onder 1 tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 82-250617-17 en het onder 2 tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 82-159427-18), telkens veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 250,00, subsidiair 5 dagen hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast is de verdachte bij vonnis waarvan beroep ter zake van: - overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 18.18 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan (het onder 2 tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 82-250617-17 en het onder 2 tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 82-250959-17); overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 2.3, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, opzettelijk begaan (het onder 1 tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 82-223154-21); overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 17.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd (het onder 2 tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 82-223154-21), overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens 2.2, tiende lid, onderdeel b, c, d en p, terwijl de overtreding plaatsvindt in de uitoefening van een bedrijf waar dieren krachtens 2.3, tweede lid van de Wet dieren aangewezen soorten of categorieën worden gehouden, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd (het onder 1 tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 82-237031-21); overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 2.2, tiende lid, onderdeel b, d en p, terwijl de overtreding plaatsvindt in de uitoefening van een bedrijf waar dieren krachtens 2.3, tweede lid van de Wet dieren aangewezen soorten of categorieën worden gehouden, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd (het onder 2 tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 82-237031-21); overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 96 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (oud), opzettelijk begaan, meermalen gepleegd (het onder 3 tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 82-237031-21), veroordeeld tot een voorwaardelijke stillegging van de onderneming van de verdachte, gevestigd op de bedrijfslocaties [adres 2] en [adres 3] , voor de duur van zes maanden, met een proeftijd van twee jaren. Tot slot heeft de rechtbank de vordering tot tenuitvoerlegging van een bij vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Oost-Brabant d.d. 16 maart 2017 (parketnummer 82-177384-16) voorwaardelijk opgelegde geldboete ter hoogte van € 2.000,00, subsidiair 30 dagen hechtenis, toegewezen. Door de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Er zijn geen grieven tegen genoemd vonnis ingediend. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de strafzaak - ondanks de omstandigheid dat verdachte niet ter terechtzitting in hoger beroep is verschenen - behandeld dient te worden omdat hij de onvoorwaardelijke stillegging van de onderneming van de verdachte wil vorderen, waarmee een algemeen belang is gediend. Daartoe heeft hij aangevoerd dat op grond van nieuwe, onlangs door hem aan het procesdossier toegevoegde stukken is gebleken dat de verdachte opnieuw verschillende keren de Wet Dieren heeft overtreden. Doordat de verdachte hoger beroep heeft ingesteld kan het openbaar ministerie niet de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde stillegging van de onderneming, zoals opgelegd door de rechtbank, niet vorderen nu de proeftijd niet is gaan lopen. Ontvankelijkheid van het hoger beroep Het hof is van oordeel dat het door verdachte ingestelde hoger beroep met toepassing van artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend noch mondeling bezwaren tegen het vonnis heeft opgegeven en het hof niet van oordeel is dat de strafzaak desalniettemin onderzocht dient te worden. Daarbij heeft het hof meegewogen dat de verdachte niet ter terechtzitting is verschenen en dat niet is gebleken dat verdachte op de hoogte is van de nieuwe ingebrachte stukken en van het voornemen van de advocaat-generaal om ter terechtzitting in hoger beroep op basis van die stukken de oplegging van een onvoorwaardelijke stillegging van de onderneming te vorderen. Daargelaten de vraag of en in hoeverre deze nieuwe stukken bij de beoordeling van deze zaak betrokken zouden kunnen worden, zou de verdachte, bij het doorgang vinden van de behandeling van het hoger beroep in zijn afwezigheid, de kans worden ontnomen om zich teweer te stellen tegen de inhoud van die nieuwe stukken en tegen de vordering van de advocaat-generaal, althans om zijn zienswijze daarop te geven. Het door de advocaat-generaal aangevoerde algemene belang dient daarvoor in deze procedure te wijken, te meer nu het openbaar ministerie ook andere strafvorderlijke bevoegdheden heeft om - voorzover nodig - dat belang te behartigen. Het hof: Verklaart het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk. Aldus gewezen door: mr. A.J. Henzen, voorzitter, mr. A.J.A.M. Nieuwenhuizen en mr. W.F. Koolen, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.N. Schlüter, griffier, en op 21 juni 2023 ter openbare terechtzitting uitgesproken.