Rechtspraak Hoge Raad 1929-11-14
ECLI:NL:HR:1929:359
Openbare terechtzitting van Donderdag, 14 November 1929. De zitting is geopend te elf uur. De deurwaarder roept de volgende zaken uit: DE HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN, in de zaak (No 6313) van: 1. [eischer 1] , en 2. [eischer 2] , bouwondernemers, wonende te [plaats] , aldaar tezamen handelende onder den naam of firma [A] , eischers tot cassatie van het op 15 November 1928 door het Gerechtshof te 's-Gravenhage tusschen partijen gewezen arrest, vertegenwoordigd door Mr. A.N. Nicolspeijer, advocaat bij den Hoogen Raad. Tegen : 1. [verweerster 1] , weduwe van [de overleden echtgenoot] , wonende te [plaats] , 2. [verweerder 2] , wonende te [plaats] , 3. a. [verweerster 3] , echtgenoote van [de echtgenoot] , b. dezen [echtgenoot] , zoo voor zich als tot bijstand en machtiging zijner voornoemde echtgenoote, beiden wonende te [plaats] , verweerders in cassatie, vertegenwoordigd mr. J.W. Dekker, advocaat bij den Hoogen Raad. en [medeverweerder 4] , architect, handelend onder den naam [naam 1] , wonende te [plaats] , medeverweerder in cassatie, - incidenteel eischer tot cassatie - vertegenwoordigd door Mr. A.N. Nicolspeijer voornoemd. Partijen gehoord; Gehoord den Procureur-Generaal in zijne conclusie, strekkende tot verwerping van het principale beroep, en deels tot niet-ontvankelijkverklaring en deels tot verwerping van het incidenteele beroep, met veroordeeling van de eischers dezer beroepen in de kosten op de behandeling daarvan in cassatie gevallen; Gezien de stukken; Overwegende dat uit het bestreden arrest en de vonnissen van de Arrondissements-Rechtbank te Rotterdam van 7 April en 14 November 1927, waarnaar het arrest ten aanzien van de feiten verwijst, voorzoover thans van belang, blijkt : dat de eischers tot cassatie - partijen [eischer] - van wijlen [de overleden echtgenoot] , in wiens rechten zijn getreden de verweerders in cassatie onder 1,2 en 3, in 1922 voor den prijs van f 4100 .- hebben aangenomen de gedeeltelijke verbouwing van het beneden gedeelte van pand [a-straat 1] te [plaats] overeenkomstig bestek en voorwaarden opgesteld door den verweerder onder 4- [medeverweerder 4] - als architect, die ook de plannen en teekeningen voor het werk in gereedheid heeft gebracht; dat het werk nog in dat jaar gereed is gekomen en [verweerder 2] ter zake f 328 .- aan [medeverweerder 4] heeft betaald en f 4100 .- aan partijen [eischer] ; dat [verweerder 2] bij inleidende dagvaarding heeft gesteld, dat het bijgebouwde gedeelte van het pand is gaan verzakken op de wijze en met de gevolgen als bij dagvaarding nader omschreven, en, daarin ziende een geheel of gedeeltelijk vergaan van het gebouwde in den zin van artikel 1645 van het Burgerlijk Wetboek, heeft gevorderd de hoofdelijke veroordeeling van [eischer] 's en van [medeverweerder 4] tot vergoeding van de schade door hem, tengevolge van de bij dagvaarding omschreven wanpraestatie geleden en nog te lijden; dat de Rechtbank bij vonnis van 7 April 1927 een onderzoek door deskundigen heeft bevolen omtrent de volgende vragen: 1. Gaat de verzakking van den ten processe bedoelden achterbouw van het pand [a-straat 1] nog steeds door en zal deze binnen afzienbaren tijd tot instorting van het gebouwde leiden; 2. Indien de laatste vraag in bevestigenden zin wordt beantwoord, moet dan die toestand worden toegeschreven aan eenig gebrek in de samenstelling van het gebouwde, zoo ja, welk gebrek of welke gebreken, of aan de ongeschiktheid van den grond tot plaatsing van het gebouwde daarop; dat de deskundigen als hun oordeel hebben uitgesproken, dat de door hen geconstateerde verzakking in geen geval binnen afzienbaren tijd tot een instorting van het gebouwde zal kunnen leiden; dat de Rechtbank op grond van dit oordeel bij vonnis van 14 November 1927 het beroep van [verweerder 2] op artikel 1645 van het Burgerlijk Wetboek heeft verworpen, en, na ook wanpraestatie als grondslag voor de ingestelde vordering te hebben verworpen, die heeft ontzegd; dat de rechtverkrijgenden van den inmiddels overleden [de overleden echtgenoot] in hooger beroep als eerste grief tegen dit vonnis hebben aangevoerd, dat de Rechtbank bij haar beslissing omtrent de vordering, voorzoover gegrond op het geheel of gedeeltelijk vergaan van het gebouwde, ten onrechte is uitgegaan van het standpunt, dat vergaan bedoeld in artikel 1645 van het Burgerlijk Wetboek, beteekent instorten; dat het Hof deze grief op de volgende overwegingen gegrond heeft geoordeeld : "dat artikel 1645 Burgerlijk Wetboek niet zoo zeer de strekking heeft om den omvang der aansprakelijkheid van architect en aannemers vast te stellen, als wel om vast te stellen, dat architect en aannemers ook nog na oplevering en goedkeuring van het werk gedurende zekeren tijd aansprakelijk blijven voor de ondeugdelijkheid van het werk; "dat het onaannemelijk is, dat de wetgever de bedoeling zou hebben gehad, om die aansprakelijkheid te beperken tot zoodanige gebreken, die een instorting van het gebouwde ten gevolge hebben en die aansprakelijkheid uit te sluiten ten opzichte van gebreken, die wel het gebouwde ongeschikt maken voor het gebruik, waarvoor het bestemd is, maar niet tot instorting of algeheele vernietiging leiden; " dat naar het oordeel van het Hof de woorden "geheel of gedeeltelijk vergaan" in artikel 1645 Burgerlijk Wetboek dan ook in ruimen zin behooren te worden uitgelegd en geacht moeten worden te omvatten zoodanige ernstige gebreken, dat daardoor het gebouwde niet meer voldoet aan de eischen, welke daaraan overeenkomstig zijn bestemming mogen gesteld worden; " dat het Hof voorts op grond van het rapport van de deskundigen en van de tusschen partijen vaststaande feiten als bewezen heeft aangenomen, dat het gebouwde ernstige verzakking en scheuren vertoont en deze gebreken te wijten zijn aan de ongeschiktheid van den ondergrond, waarvoor, krachtens artikel 1645 van het Burgerlijk Wetboek, de partijen [eischer] en [medeverweerder 4] aansprakelijk zijn; dat het Hof de overige door appellanten aangevoerde grieven buiten beschouwing latende, op voormelde gronden en andere, die thans niet ter zake doen, de ingestelde vordering heeft toegewezen, behoudens de gevraagde hoofdelijkheid der veroordeeling; Overwegende dat de partijen [eischer] , met dagvaarding zoowel van de toenmalige apellanten als van hun mede-geintimeerde [medeverweerder 4] , beroep in cassatietegen dit arrest hebben ingesteld en daarentegen de volgende middelen hebben aangevoerd: I. Schending, althans verkeerde toepassing van artikel 1645, alsmede van de artikelen 1280, 1281, 1282, 1283, 1374, 1375, 1376 en 1401 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 48 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, doordien het Hof, feitelijk aannemende, dat het litigieuze gebouw "ernstige verzakking en scheuren vertoont", welke gebreken te wijten zijn aan ongeschiktheid van den ondergrond, de aansprakelijkheid van eischers in cassatie daarvoor aanvaardt krachtens artikel 1645 Burgerlijk Wetboek, welk wetsartikel het Hof immers mede toepasselijk verklaart op: "gebreken, die weliswaar niet tot instorting of algeheele vernietiging leiden maar wel het gebouwde ongeschikt maken voor het gebruik waarvoor het bestemd is", respectievelijk waardoor het "niet meer voldoet aan de eischen, welke daaraan overeenkomstig zijne bestemming mogen gesteld worden" ;- zulks ten onrechte: 1o. omdat artikel 1645 Burgerlijk Wetboek uitsluitend spreekt van eenig gebrek als oorzaak van een objectief vergaan - zij het niet slechts van een algeheel, doch ook van een gedeeltelijk vergaan - van het gebouwde als zoodanig, daarentegen in het geheel geen gewag maakt van gebreken, ernstige of niet ernstige, waardoor het gebouwde niet meer zou voldoen aan de uitteraard subjectieve bestemming, welke, volgens het arrest a quo, daaraan zelfs bij mogelijkheid gesteld kan worden, eene bedoeling welke niet heeft voorgezeten bij het stellen van artikel 1645 Burgerlijk Wetboek, dat immers een zeer byzondere aansprakelijkheid voor bouwondernemers en aannemers in het leven roept, en daarom die aansprakelijkheid ook aan zeer byzondere gevolgen heeft verbonden; 2o. omdat artikel 1645 Burgerlijk Wetboek voor de aansprakelijkheid van architecten en aannemers schuld stelt respectievelijk vooronderstelt en het arrest verzuimd heeft te overwegen of en waarin die schuld in casu ten opzichte van eischers in cassatie als aannemers zou gelegen hebben, zulks ondanks de omstandigheid, dat het Hof feitelijk aanneemt, dat de litigieuze verbouwing is gereed gekomen overeenkomstig het bestek en de voorwaarden, door partij [medeverweerder 4] als architect opgesteld, die ook de plannen en teekeningen voor dat werk in gereedheid heeft gebracht; II. Schending van de artikelen 1645 junctis 1374, 1375, 1376 van het Burgerlijk Wetboek, omdat, ofschoon het Hof aanneemt, dat de aansprakelijkheid van den architect en de aannemers ingevolge artikel 1645 Burgerlijk Wetboek blijft bestaan, zoolang zij de aansprakelijkheid terzake van de geschiktheid van den ondergrond niet uitdrukkelijk hebben uitgesloten en de aanbesteder daarmede genoegen heeft genomen, het Hof desniettegenstaande in casu de aannemers aansprakelijk houdt, hoewel in feite vaststaande wordt aangenomen, dat de aanbesteder met uitsluiting der aansprakelijkheid voor ongeschiktheid van den ondergrond wel degelijk blijkt genoegen te hebben genomen; III. Schending respectievelijk verkeerde toepassing van de artikelen 1953 en 1954 van het Burgerlijk Wetboek juncto 48 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering junctis 343 tot en met 358 van dat Wetboek, doordien het Hof bij zijne beschikking uitgaat van de overweging, dat het krachtens interlocutoir vonnis van de Rechtbank te Rotterdam van 7 April 1927 uitgebrachte deskundigenrapport aanneemt: " dat de aanbouw, waarvan hier sprake is, een ernstige verzakking heeft ondergaan en de muren scheuren vertoonen als gevolg van deze verzakking" en het rapport wijders aan deze bevindingen verdere beschouwingen verbindt, gelijk deze in het arrest nader worden omschreven; - zulks ten onrechte: omdat deze overweging in het arrest indruischt tegen het gezag van bedoeld interlocutoir vonnis, dat bij gebreke van appèl daaromtrent sedert kracht van gewijsde heeft verkregen, aangezien de vorenomschreven punten uit het deskundigenrapport slechts raken de beantwoording der in de tweede plaats en subsidiair aan deskundigen gestelde vraag, welke eerst aan de orde zou hebben kunnen komen, wanneer de eerste praelabele vraag bevestigend beantwoord werd, wat in casu, gelijk ook het arrest a quo met zoovele woorden erkent, niet het geval is geweest; Overwegende dat partij [medeverweerder 4] bij conclusie van antwoord incidenteel beroep in cassatie heeft ingesteld onder aanvoering van middelen gelijkluidend aan de middelen onder I, II en III van het principaal beroep; Overwegende dat tusschen de vorderingen door [verweerder 2] ingesteld tegen partijen [eischer] eenerzijds en tegen partij [medeverweerder 4] anderzijds geen onverbrekelijk verband bestaat, en derhalve het door de [eischer] 's ingesteld beroep in cassatie de door het Hof tegen [medeverweerder 4] uitgesproken veroordeeling niet vermag aan te tasten, maar dan ook dat beroep, voorzoover het laatstgenoemde partij betreft, niet-ontvankelijk is; Overwegende omtrent het principaal beroep, voor zoover dit wèl kan worden ontvangen: dat middel I in zijn eerste onderdeel in zoover feitelijken grondslag mist, als daarbij aan het Hof wordt verweten rekening te houden met "de uiteraard subjectieve bestemming van het gebouw, welke daaraan zelfs bij mogelijkheid kan worden gegeven", daar het Hof kennelijk slechts rekening wil houden met die bestemming, waarop partijen bij het sluiten van de overeenkomst het oog hadden; dat echter de op dit punt onjuiste weergave van het bestreden arrest aan het onderzoek van de grief niet in den weg staat, omdat die zich ook richt tegen de beslissing zooals die inderdaad genomen is; dat blijkens het bovenstaande het Hof feitelijk vaststelt, dat het gebouwde ernstige verzakking en scheuren vertoont en deze gebreken te wijten zijn aan ongeschiktheid van den ondergrond, maar tevens aanneemt, dat de gebreken niet van dien aard zijn, dat zij tot geheele of gedeeltelijke instorting van het gebouw zullen leiden; dat deze feiten het inroepen van de byzondere aansprakelijkheid van artikel 1645 van het Burgerlijk Wetboek niet rechtvaardigen; dat dit artikel toch voorziet in het geval, dat het gebouw door gebrek in de samenstelling of ongeschiktheid van den grond geheel of ten deele vergaat, waaronder slechts is te verstaan, dat tengevolge van gebrek of ongeschiktheid als voormeld, het gebouw - geheel of ten deele- tot een bouwval reeds is geworden of dreigt te worden; dat deze door de woorden geboden opvatting ook in de geschiedenis van het artikel steun vindt; dat dit is ontleend aan en overeenstemt met artikel 1792 van den Code Civil en bij de bespreking van het ontwerp tot deze bepaling in den Conseil d'Etat doorloopend voor oogen stond de instorting van het gebouw of gevaar daarvoor, daar men sprak van "la chute du bâtiment", van "vices cachés qui le fassent tomber après un laps de temps", van "compromettre sa sûrèté personelle(n.l. die van den aanbesteder) en même temps que la sûreté publique", van " un délai suffisant pour qu'il devienne certain que la construction est solide", en van "rendre les édifices solides", terwijl ten slotte een voorstel "d'expliquer que l'architecte est responsable toutes les fois que les vices, soit de construction, soit du sol, compromettent la solidité du bâtiment", werd beantwoord met de aan de vergadering blijkbaar afdoende voorgekomen opmerking, "que le mot périt renferme cette explication"; dat echter de hechtheid van een gebouw nog niet in gevaar behoeft te komen doordat het - zij het in ernstige mate - verzakt en scheuren vertoont, en de hechtheid niet is aangetast indien - gelijk hier vaststaat - de gebreken juist niet van dien aard zijn, dat zij tot geheele of gedeeltelijke instorting zullen leiden; dat de gegrondheid van de grief vervat in onderdeel 1 van het eerste middel reeds tot cassatie moet leiden, zoodat de verder bij het principaal beroep aangevoerde grieven niet behoeven te worden onderzocht; Overwegende omtrent het incidenteel beroep: dat, waar het principaal beroep, voorzoover betreft de partij [medeverweerder 4] , niet-ontvankelijk is, en deze partij dus staat buiten het geding in cassatie, in dat geding voor een incidenteel beroep harerzijds geen plaats is; Verklaart het principaal beroep in cassatie niet-ontvankelijk, voorzoover dit de partij [medeverweerder 4] betreft; Vernietigt het bestreden arrest voorzoover gewezen tusschen de eischers in cassatie en de verweerders onder 1,2 en 3; Verklaart het incidenteel beroep in cassatie niet-ontvankelijk; Verwijst het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, ten einde, met inachtneming van de uitspraak van den Hoogen Raad, de zaak verder te behandelen en te beslissen; Veroordeelt de principale eischers in de kosten op het principaal beroep gevallen aan de zijde van den verweerder onder 4, en begroot die tot op de uitspraak van dit arrest, op vijftien gulden aan verschot en op vijftig gulden voor salaris; Veroordeelt de verweerders onder 1,2 en 3 in de kosten van het principaal beroep gevallen aan de zijde van de eischers, voorzoover gemaakt tegenover die verweerders, en begroot deze kosten tot op de uitspraak van dit arrest op drie en veertig gulden vijf en zestig cent aan verschot en op vierhonderdvijftig gulden voor salaris; Veroordeelt den verweerder onder 4 in de kosten op het incidenteel beroep gevallen aan de zijde van de eischers en de verweerders onder 1,2 en 3, - en begroot die kosten tot op de uitspraak van dit arrest ten aanzien van de eischers op tien gulden aan verschot en op tien gulden voor salaris, en ten aanzien van evengenoemde verweerders op vijftien gulden aan verschot en op honderd gulden voor salaris. Gedaan bij de Heeren Fentener van Vlissingen, Vice-President, Schepel, Van Gelein Vitringa, Kirberger en Polak, Raden, en door voornoemden Vice-President uitgesproken ter openbare terechtzitting van den veertienden November 1900 Negen en Twintig, in bijzijn van den Advocaat-Generaal van Lier .-
Toegepaste wetsartikelen
- Artikel 346 — De wijze van procederen voor de rechtbanken, de hoven en de Hoge Raad
- Artikel 345 — De wijze van procederen voor de rechtbanken, de hoven en de Hoge Raad
- Artikel 344 — De wijze van procederen voor de rechtbanken, de hoven en de Hoge Raad
- Artikel 343 — De wijze van procederen voor de rechtbanken, de hoven en de Hoge Raad
- Artikel 348 — De wijze van procederen voor de rechtbanken, de hoven en de Hoge Raad
- Artikel 48 — De wijze van procederen voor de rechtbanken, de hoven en de Hoge Raad
- Artikel 358 — De wijze van procederen voor de rechtbanken, de hoven en de Hoge Raad