ECLI:NL:HR:1930:81
No. 33505 DE HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN , Op het beroep van den Officier van Justitie bij de Arrondissements-Rechtbank te Groningen, requirant van cassatie tegen een vonnis van die Rechtbank van den 5en Juni 1930, waarbij [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] [geboortedatum] 1891, directeur van een autobusonderneming, wonende te [plaats] , is vrijgesproken van het hem telaste gelegde, zulks met vernietiging van het vonnis van het Kantongerecht te Groningen van den 15den Maart 1930, waarbij hij ter zake van: " het door misbruik van gezag opzettelijk uitlokken van het als bestuurder van een motorrijtuig op meer dan twee wielen, welke langer dan 5 of breeder dan 2 meter zijn, daarmede rijden over een weg, welke in het belang van de vrijheid en de veiligheid van het verkeer daarover geheel of gedeeltelijk is gesloten verklaard voor die categorie van motorrijtuigen en krachtens de artikelen 2 der Motor- en Rijwielwet, 8, 10, 11, 73 van het Motor- en Rijwielreglement, het Besluit van den Raad der Gemeente Groningen de dato 14 November 1927 No.12 sub IVa juncto het Besluit van Burgemeester en Wethouders dier gemeente de dato 31 December 1929, afgekondigd 2 Januari 1930 No.1, artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht, is veroordeeld tot eene geldboete van één gulden en vervangende hechtenis van één dag; Gehoord het verslag van den Raadsheer Schepel; Gezien de insinuatie, namens den Procureur-Generaal, aan den gerequireerde beteekend, ter kennisgeving van den dag voor de behandeling dezer zaak bepaald; Gelet op het middel van cassatie door den requirant voorgesteld bij schriftuur : Schending of verkeerde toepassing van artikel 2 van de Motor- en Rijwielwet, de artikelen 8,11 en 73 van het Motor- en Rijwielreglement, het Besluit van den Raad van de gemeente Groningen de dato 14 November 1927 No.12, sub IV a en het Besluit van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Groningen de dato 31 December 1929 no.1; Gehoord den Advocaat-Generaal Van Lier, namens den Procureur-Generaal, in zijne conclusie, strekkende tot verwerping van het beroep; Overwegende dat nu het beroep tegen een vrijspraak is gericht, allereerst moet worden onderzocht of het ontvankelijk is; Overwegende daaromtrent: dat bij het bestreden vonnis van het aan gerequireerde bij de oorspronkelijke dagvaarding telaste gelegde wettig en overtuigend bewezen is verklaard: dat hij op 15 Januari 1930 in de gemeente Groningen opzettelijk heeft uitgelokt, dat de aan hem ondergeschikte chauffeur [betrokkene 1] op 15 Januari 1930 des namiddags te ongeveer 3 uur aldaar als bestuurder van een motorrijtuig op meer dan twee wielen, niet uitsluitend bestemd en ingericht voor het vervoer van vrachten, hetwelk langer was dan 5 meter en breeder dan 2 meter, daarmede heeft gereden over den voor het openbaar verkeer openstaanden rijweg, de Poelestraat, zijnde een straat, gelegen binnen het gedeelte van de bebouwde kom van Groningen, hetwelk wordt ingesloten door het Verbindingskanaal, de Zuiderhaven, de A, de Noorderhaven, het Loopende Diep, de Spilsluizen, het Schuitendiep en de Oosterhaven, terwijl deze weg ingevolge artikel 8 van het Motor- en Rijwielreglement en met inachtneming van het bepaalde bij artikel 10 van dat reglement voor het verkeer met motorrijtuigen op meer dan twee wielen, welke langer dan 5 of breeder dan 2 meter zijn, in beide richtingen was gesloten; dat de Rechtbank vervolgens heeft overwogen: dat nu moet worden nagegaan, of verdachte, handelende als bewezen verklaard, daarbij, zooals is telaste gelegd, misbruik maakte van gezag; "dat de chauffeur [betrokkene 1] op last van verdachte heeft overtreden het verbod, neergelegd in het Besluit van Burgemeester en Wethouders der gemeente Groningen van 31 December 1929, afgekondigd 2 Januari 1930, No.1, welk besluit is genomen krachtens het Besluit van den Raad dier gemeente de dato 14 November 1927 No.12; dat voormeld Provinciaal Blad inhoudt een Besluit van Gedeputeerde Staten der provincie Groningen van 25 Mei 1927, waarbij aan de Naamlooze Vennootschap automaatschappij " G.A. D.O." tot wederopzeggings toe, voorzoover de provincie Groningen betreft, vergunning is verleend tot het in werking houden van een dagelijkschen autobusdienst Groningen - Zuidbroek, Noordbroek - Winschoten v.v. en van een dagelijkschen autobusdienst Groningen - Zuidbroek - Veendam - Bareveld v.v. onder meer onder de voorwaarde, dat de tarieven en dienstregelingen aan de goedkeuring van hun College zijn onderworpen; dat aan deze voorwaarde op 15 Januari 1930 was voldaan blijkens voormelde afdrukken van tarieven en dienstregelingen, die de mededeeling bevatten: " Goedgekeurd door de Gedebuteerde Staten der provincie Groningen in hunne vergadering van 7 Juni 1928 onder No.28, 1e Afd.Mij bekend: De Griffier der Staten van Groningen (get. ) Sybenga "; dat verdachte, den autobusdienst onderhoudende krachtens de hem verleende vergunning, verplicht is, zich aan de in die vergunning gestelde voorwaarden te houden en dientengevolge evenzeer verplicht is, den dienst te onderhouden volgens de ingevolge die voorwaarden goedgekeurde dienstregeling waaraan niet afdoet, dat de dienstregeling is goedgekeurd, nadat het besluit tot verleening der vergunning was genomen, daar immers het onderhouden van den dienst in dat besluit afhankelijk was gesteld van de goedkeuring der dienstregeling; dat voormeld afdruk dienstregeling zoowel voor de lijn Winschoten - Groningen als voor de lijn Bareveld - Groningen als eindpunt en vaste halte vermeldt de Groote Markt te Groningen, zoodat op vorenstaande gronden verdachte verplicht was, de autobussen van zijn onderneming tot dat eindpunt te doen doorrijden; dat ook de gemeentelijke wetgever zich aan de door Gedeputeerde Staten krachtens de hun bij de Wet betreffende de Openbare Middelen van Vervoer verleende bevoegdheid verleende vergunning heeft te onderwerpen en den houder eener intercommunale autobusonderneming niet feitelijk mag verhinderen, den dienst te onderhouden overeenkomstig de voorwaarden der vergunning, aan welk vereischte voormeld besluit van Burgemeester en Wethouders niet voldoet, daar het, door het bij dagvaarding vermelde gedeelte der bebouwde kom gesloten te verklaren voor de in het besluit nader aangeduide motorrijtuigen, den autobus van de onderneming van verdachte feitelijk verhindert door te rijden naar het in de dienstregeling aangegeven eindpunt en vaste halte, de Groote Markt te Groningen; dat verdachte niet den dienst met autobussen van niet langer dan 5 meter lengte en niet breeder dan 2 meter vermocht te onderhouden, daar hem bij de voorwaarden tot de vergunning tevens was opgelegd, voor elk der diensten een reservebus met 22 zitplaatsen ter beschikking te houden, en ook deze reservebussen, in dienst gesteld, de geheele route van de dienstregeling hadden te volgen en op de daar aangegeven halteplaatsen hadden te stoppen; dat, nu het besluit van Burgemeester.
en Wethouders den verdachte verhinderde, een hem krachtens een rijkswet door Gedeputeerde Staten verleende bevoegdheid uit te oefenen, dit besluit niet verbindend is en verdachte derhalve, handelende als bewezen verklaard, die handelingen rechtmatig heeft verricht en niet kan worden gezegd, daarbij misbruik van gezag te hebben gemaakt; dat mitsdien, niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen verdachte bij dagvaarding is tenlaste gelegd, zoodat hij daarvan moet worden vrijgesproken; " dat, zooals uit het voorgaande blijkt, de Rechtbank enkel daarom niet bewezen heeft geoordeeld, dat gerequireerde, handelende als bewezen is verklaard, daarbij misbruik maakte van gezag, en enkel daarom gerequireerde van het hem telaste gelegde heeft vrijgesproken, omdat zij op de daarvoor in het vonnis aangevoerde gronden het daar bedoelde besluit van Burgemeester en Wethouders van Groningen niet verbindend heeft geoordeeld en daarom de bewezen verklaarde handelingen van gerequireerde als rechtmatig heeft beschouwd; dat deze beslissing dus hierop neerkomt, dat het rijden als bestuurder met een motorrijtuig als in de telastelegging omschreven ter plaatse en onder de omstandigheden als daar is aangegeven, niet oplevert een strafbaar feit maar daaruit dan ook blijkt, dat de gegeven beslissing betreffende de uitlokking tot dat niet strafbaar geoordeelde feit niet is een vrijspraak als bedoeld in artikel 430 van het Wetboek van Strafvordering, waartegen geen beroep in cassatie is toegelaten; dat dus het beroep is ontvankelijk; Overwegende alsnu omtrent het middel: dat de wet van 23 April 1880, (Staatsblad no.67), betreffende de openbare middelen van vervoer, zooals deze is gewijzigd bij de wet van 30 Juli 1926 (Staatsblad no.250),tot het in werking brengen van intercommunale autobusdiensten voor vervoer van personen voorafgaande vergunning vordert van Gedeputeerde Staten der betreffende provincie, welke vergunning niet wordt verleend dan nadat belanghebbenden -- daaronder de belanghebbende gemeentebesturen -- in de gelegenheid zijn gesteld, hunne bezwaren naar voren te brengen, terwijl van de beslissing van Gedeputeerde Staten voor ieder belanghebbende beroep op de Kroon openstaat; dat dit vergunningsstelsel, blijkens hetgeen bij de behandeling van het ontwerp der genoemde wijzigingswet in de Memorie van Antwoord is medegedeeld, geene andere strekking heeft dan om te voorkomen, dat door onjuiste of te ruime voorziening met vervoermiddelen de duurzame verkeersbehoeften worden geschaad, zijnde met andere woorden de eenige strekking der wet om in het belang van het reizend publiek een juiste voorziening in de behoefte aan intercommunale autobusdiensten te bevorderen; dat deze strekking medebrengt, dat de aan de vergunning te verbinden voorwaarden mogen betreffen punten als begin en einde der autobuslijnen en de te volgen route, terwijl verder uit artikel 10 der wet blijkt dat ook de verzekering van de veiligheid van de reizigers met openbare middelen van vervoer tot den kring der bemoeiingen behoort, waarover de zorg des wetgevers zich bij de bedoelde wet heeft uitgestrekt; dat uit de boven aangegeven strekking der wet echter niet volgt en ook overigens niet blijkt, dat tot den bedoelden kring der bemoeiingen mede zou behooren de verzekering van de vrijheid en veiligheid van het verkeer over de openbare wegen, zoodat Gedeputeerde Staten bij het verleenen van hunne vergunningen ook dit belang zouden hebben te behartigen en ook daaromtrent zoo noodig voorwaarden zouden hebben te stellen; dat trouwens, blijkens de bepalingen van de artikelen 8 en volgende van het Motor- en Rijwielreglement, strekkende deze bepalingen ter uitvoering van artikel 2 der Motor- en Rijwielwet, de behartiging van juist dit belang, door namelijk in dit belang openbare wegen geheel of gedeeltelijk gesloten te verklaren voor het berijden in eene of in beide richtingen onder andere met motorrijtuigen op meer dan twee wielen, die bepaalde afmetingen te boven gaan, is opgedragen ten aanzien van de verschillende categorieën van wegen hetzij aan den Minister van Waterstaat, hetzij aan Gedeputeerde Staten, hetzij aan het gemeentebestuur, terwijl dan een zoodanig besluit van een gemeentebestuur met redenen wordt omkleed en daarvan beroep bij de Kroon openstaat ;- dat verder aan de bevoegdheid om wegen gesloten te verklaren, geen andere grens is gesteld dan dat het doorgaand verkeer door het gesloten zijn zonder noodzaak geen ernstige belemmering mag ondervinden; dat, waar nu in deze bepalingen voor motorrijtuigen van intercommunale autobusdiensten voor vervoer van personen geenerlei uitzondering is gemaakt, integendeel het gesloten zijn steeds zal moeten betreffen alle motorrijtuigen, althans alle motorrijtuigen van eene bepaalde categorie, en waar een gemeentebestuur, wegen voor motorrijtuigen gesloten verklarend, dit doet niet ingevolge de algemeene Verordeningsbevoegdheid van artikel 135 der Gemeentewet maar krachtens aan dit bestuur door de wet, immers den daarop steunenden algemeenen maatregel van bestuur, onder de bovenbedoelde waarborgen toegekende uitvoeringsbevoegdheid, niet met het bestreden vonnis kan worden aangenomen dat een besluit tot gesloten-verklaring niet verbindend zoude zijn voor zooverre het den ondernemer van een autobusdienst tot vervoer van personen zou verhinderen, met zijne motorrijtuigen de route te volgen of het eindpunt te bereiken, hem als route of eindpunt voorgeschreven in de hem door Gedeputeerde Staten verleende vergunning tot het in werking brengen van zijn autobusdienst; - dat dan immers hetzelfde het geval zoude moeten zijn met eene beschikking van den Minister van Waterstaat tot het gesloten verklaren van een Rijksweg en van een en ander het gevolg zoude zijn, dat, schoon naar het oordeel van het daarvoor door de Wet aangewezen orgaan het belang van de vrijheid en veiligheid van het verkeer niet toelaat, dat over een weg wordt gereden met motorrijtuigen als krachtens de verleende vergunning bij den autobusdienst in gebruik, deze motorrijtuigen zouden mogen voortgaan, de vrijheid en veiligheid van het verkeer in gevaar te brengen; - dat de door Gedeputeerde Staten verleende vergunning, de strekking van de wet op de openbare middelen van vervoer in aanmerking genomen, dan ook geen verdere beteekenis kan hebben dan dat er uit een ooppunt van verkeerseconomie en van veiligheid van de reizigers, tegen het in werking brengen van een autobusdienst, al dan niet onder bepaalde voorwaarden, geen bezwaar bestaat en geenszins, dat daarmede aan den ondernemer van dien dienst een vrijbrief is gegeven om, voor motorrijtuigen als de zijne geldende, verbodsbepalingen van boven bedoelden aard straffeloos te overtreden; dat dus het middel is gegrond en het bestreden vonnis niet in stand kan blijven; Vernietigt dat vonnis, En rechtdoende ten principale, krachtens artikel 105 der Wet op de Rechterlijke Organisatie: Bevestigt het vonnis door het Kantongerecht te Groningen op 15 Maart 1930 gewezen. Gewezen te 's-Gravenhage bij de Heeren Jhr.de Savornin Lohman, President, Savelberg, Taverne, Schepel en de Menthon Bake, Raden, in bijzijn van den Griffier Jas, die dit arrest hebben ondertekend en door den President voornoemd uitgesproken ter openbare terechtzitting van den eersten December 1900 Dertig in tegenwoordigheid van de genoemde Heeren, alsmede van den Advocaat-Generaal Van Lier.