Rechtspraak Hoge Raad 1931-12-21
ECLI:NL:HR:1931:168
De Hooge Raad, enz .; O. dat uit de aanteekening van het in de aanvrage bedoelde mondeling vonnis blijkt, dat de veroordeeling hierop berust, dat ten laste van [verdachte] wettig en overtuigend bewezen is verklaard, dat hij te [plaats] op 14 November 1930 opzettelijk gewelddadig met een zijner geschoeide voeten [slachtoffer] een dusdanigen schop ter rechterzijde tegen diens onderbuik heeft gegeven, dat voornoemde [slachtoffer] hevige pijn heeft ondervonden en in een ziekenhuis moest worden opgenomen, daar operatief ingrijpen noodzakelijk bleek; O. dat blijkens de aanteekening van het vonnis als bewijsmiddelen zijn gebezigd verklaringen van den verdachte en van den getuige [slachtoffer] alsmede eene overgelegde geneeskundige verklaring van den [arts 1] te [plaats] ; dat de verklaringen van den verdachte en die van den genoemden getuige inhouden: de eerste, dat het waar is, dat hij opzettelijk den meergenoemden getuige op tijd en plaats als in de telastelegging aangegeven, met een zijner voeten, waaraan hij een schoen droeg, een trap tegen diens onderbuik heeft gegeven; de tweede, dat hij dien trap met den geschoeiden voet tegen zijn onderbuik rechts, van verdachte heeft ontvangen; dat het hem erge pijn deed en hij twee weken in het ziekenhuis is verpleegd en daar geopereerd is; dat de geneeskundige verklaring van [arts 1] inhoudt, dat deze op 15 November 1930 bij [slachtoffer] een rechter schuine liesbreuk heeft geconstateerd, die verschijnselen van beklemming vertoonde namelijk pijnlijkheid en misselijkheid veroorzaakte, waarom spoedige operatie noodzakelijk was; dat blijkens de aanteekening de Kinderrechter de door hem aan het feit gegeven qualificatie aldus heeft gemotiveerd, dat lichamelijk letsel toegebracht tegen een zoo gevoelig lichaamsdeel als het onderlijf, dat operatief ingrijpen noodzakelijk maakt, als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt ; dat verder uit de aanteekening van het vonnis blijkt, dat de door den vader als wettelijk vertegenwoordiger van den negenjarigen getuige [slachtoffer] tot een bedrag van f 150 ingestelde civiele vordering door den Kinderrechter tot een bedrag van f 100 is toegewezen en voor het overige is ontzegd; O. dat de omstandigheid, die in de aanvrage wordt aangevoerd, is, dat na het wijzen van het vonnis gebleken is, dat het opnemen in het ziekenhuis van [slachtoffer] en het operatief ingrijpen niet noodzakelijk waren, althans geen verband hielden met het door [verdachte] toegebracht lichamelijk letsel, ten bewijze waarvan bij de aanvrage wordt overgelegd eene onderteekende verklaring van den [arts 2] , die [slachtoffer] heeft geopereerd; dat bedoelde verklaring van genoemden geneesheer inhoudt, dat hij [slachtoffer] in het Diaconessenhuis te Rotterdam op 24 November 1930 heeft geopereerd, zonder dat hij een breuk bij hem vóór de operatie kon vaststellen; dat hij alleen opereerde, omdat de huisarts van den patiënt bij dezen een breuk had vastgesteld en omdat de ouders wenschten, dat deze breuk werd geopereerd; dat het meer voorkomt, dat een breuk niet gemakkelijk is aan te toonen; dat bij de operatie geen breuk noch eene andere afwijking werd gevonden; O. dat dit alles een ernstig vermoeden doet ontstaan, dat, ware het den rechter destijds bekend geweest, het onderzoek der zaak hem zou hebben geleid zoo niet tot vrijspraak van den thans veroordeelde dan toch tot toepasselijkverklaring van eene minder zware strafbepaling en dat ook ten aanzien van de ingestelde civiele vordering eene andere beslissing zoude zijn gegeven; O. dat de aanvrager, die, desgevraagd, ter terechtzitting van den H. R. heeft te kennen gegeven, dat de aanvrage tot herziening het vonnis in zijn geheel betreft, in die aanvrage ontvankelijk is; O. dat immers het aangehaalde vonnis is eene in kracht van gewijsde gegane einduitspraak, houdende veroordeeling, waarvan dus ingevolge artikel 457 Sv. herziening kan worden aangevraagd, wanneer een van de in dat wetsartikel genoemde gronden aanwezig is, welke herziening dan echter, tenzij uit de aanvrage het tegendeel volgt, het vonnis in zijn geheel met al de daarin voorkomende beslissingen betreft; dat trouwens ook uit artikel 473 van genoemd Wetboek blijkt, dat de wetgever ervan is uitgegaan, dat eene beslissing omtrent eene ingestelde civiele vordering niet buiten de herziening zal blijven; dat toch volgens dit artikel het rechtsgeding in de verwezen zaak bij het Gerechtshof wordt gevoerd met overeenkomstige toepassing onder andere van de artikelen 413, 415 en 421 van meergemeld Wetboek, terwijl artikel 413 inhoudt, dat aan de beleedigde partij, die zich in eersten aanleg in het geding heeft gevoegd, de dag moet worden aangezegd, waarop de zaak op de terechtzitting zal worden behandeld; artikel 415 onder andere de artikelen 332-337 omtrent de beleedigde partij van overeenkomstige toepassing verklaart en ook artikel 421 voorschriften omtrent de beleedigde partij, die het geding in hooger beroep betreffen, inhoudt; dat bovendien het geding over de strafzaak en de civiele vordering, waarmede de beleedigde partij zich in dit geding voegt, in onafscheidelijk verband met elkander staan, zooals blijkt uit verschillende bepalingen van de artikelen omtrent de beleedigde partij, onder andere uit de bepaling van het tweede lid van artikel 337, dat de vordering van de beleedigde partij alleen ontvankelijk zal zijn, indien den verdachte eenige straf of maatregel wordt opgelegd; dat verder het beginsel van de herzieningsregeling is, dat degene, wiens aanvrage tot herziening gegrond is bevonden, na de verwijzing naar het Gerechtshof in denzelfden toestand zal komen te verkeeren als waarin hij zich bevond bij den aanvang van de behandeling ter terechtzitting, die heeft geleid tot de einduitspraak, tegen welke de aanvrage tot herziening gegrond is bevonden; O. dat daarom de aanvrage gegrond moet worden geacht; O. dat de veroordeelde de hem bij het vonnis onvoorwaardelijk opgelegde tuchtschoolstraf reeds van 23 Juli tot 21 September 1931 in de tuchtschool te Ginneken heeft ondergaan, zooals blijkt uit eene bij de stukken aanwezige verklaring van den Officier van Justitie te Rotterdam; Verklaart de aanvrage gegrond; Beveelt de opschorting van de tenuitvoerlegging van het vonnis voor zooverre dit nog niet ten uitvoer is gelegd; Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, ten einde te handelen als in het Wetboek van Strafvordering is aangewezen.