ECLI:NL:HR:1932:58
Openbare terechtzitting van Vrijdag, 18 Maart 1932. De zitting is geopend te elf uur. De deurwaarder roept de volgende zaken uit: DE HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN , in de zaak (No 6601) van: 1. [eiseres 1] , weduwe van wijlen [de overleden echtgenoot] , 2. [eiser 2] , 3a. [eiseres 3] , echtgenoote van [de echtgenoot] , b. [de echtgenoot] , zoo voor zich als tot bijstand en machtiging van zijne voornoemde echtgenoote, wonende [...] te [plaats] en de anderen te [plaats] , eischers tot cassatie van een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage de dato 19 Maart 1931 tusschen partijen gewezen, vertegenwoordigd door Mr. J. W. Dekker, advocaat bij den Hoogen Raad. Tegen : 1. [verweerder 1] , - 2. [verweerder 2] , - samen handelende onder den naam of de firma [...] , wonende te [plaats] , verweerders in cassatie, vertegenwoordigd door Mr. A. Nicolspeijer, advocaat bij den Hoogen raad. Partijen gehoord; Gehoord den Advocaat-Generaal BESIER, namens den Procureur-Generaal, in zijne conclusie strekkende tot verwerping van het beroep en tot veroordeeling van de eischers in de kosten in cassatie gevallen; Gezien de stukken; Overwegende dat de verweerders in cassatie voor wijlen [de overleden echtgenoot] , in wiens rechten de eischers incassatie zijn getreden, in 1922 voor den prijs van f 4100 .- hebben aangenomen de gedeeltelijke verbouwing van het benedengedeelte van een pand te [plaats] , overeenkomstig de voorwaarden, opgesteld door den architect [de architect], die ook de plannen en teekeningen voor het werk in gereedheid heeft gebracht; dat, nadat het werk was gereedgekomen en de aannemingssom was betaald, [de overleden echtgenoot] , stellende dat het gebouwde na de oplevering is gaan verzakken en de muren scheuren zijn gaan vertoonen, bij inleidende dagvaarding - voorzoover thans nog van belang - de veroordeeling van verweerders in cassatie heeft gevorderd tot vergoeding van de schade, door hem tengevolge van de bij dagvaarding omschreven wanpraestatie geleden en nog te lijden; dat die vordering in eersten aanleg is ontzegd, doch door het Hof bij arrest van 15 November 1928 in hoofdzaak is toegewezen; dat deze beslissing bij arrest van den Hoogen Raad van 14 November 1929 is vernietigd, omdat ten deze van een geheel of gedeeltelijk vergaan van het gebouwde in den zin van artikel 1645 van het Burgerlijk Wetboek geen sprake was, waarna het Hof bij arrest van 16 Januari 1930 het vonnis der Rechtbank heeft bevestigd, op grond dat genoemd artikel de aansprakelijkheid van de aannemers na oplevering en goedkeuring van het gebouwde regelt en daarmede verdere aansprakelijkheid ter zake van gebreken in de samenstelling van het gebouwde of de ongeschiktheid van den grond uitsluit; dat de Hooge Raad bij arrest van 13 November 1930 ook dit arrest heeft vernietigd, daarbij overwegende "dat artikel 1645 van het Burgerlijk Wetboek niet een uitdrukkelijke regeling geeft van het geval, dat een gebouw, na voor een bepaalden prijs te zijn aangenomen en afgemaakt, zonder te vergaan gebreken vertoont, welke zijn toe te schrijven aan de samenstelling van het gebouw of aan de ongeschiktheid van den grond; - dat ook uit niets blijkt dat de strekking van artikel 1645 van het Burgerlijk Wetboek is om in het zooeven vermelde geval zonder meer de aansprakelijkheid van de bouwmeesters en de aannemers uit te sluiten, hetgeen zou moeten blijken, wil niet naar het voorschrift van artikel 1355 van het Burgerlijk Wetboek deze aansprakelijkheid, bijgebreke van byzondere regeling, te beoordeelen zijn naar de algemeene regelen, vervat in den eersten en tweeden Titel van Boek III van het Burgerlijk Wetboek; " Overwegende dat het Hof in het bestreden arrest heeft onderzocht of verweerders in cassatie zich aan wanpraestatie hebben schuldig gemaakt, welke de tegen hen ingestelde vordering tot schadevergoeding rechtvaardigt, en zulks ontkennend heeft beantwoord, waarbij het Hof als vaststaand heeft aangenomen, dat de verweerders de verbouwing hebben uitgevoerd overeenkomstig het bestek en de plannen door den architect van den aanbesteder opgemaakt, zoodat zij de verplichtingen, die zij bij het aannemingscontract op zich namen, zijn nagekomen, en dat de gebreken, die zich later aan het gebouwde hebben vertoond, uitsluitend te wijten zijn aan de gesteldheid van den bodem, - en voorts heeft overwogen: "dat derhalve de wanpraestatie van geintimeerden hierin zou bestaan, dat zij het door den rechtsvoorganger van appellanten aanbestede werk hebben aangenomen, hoewel zij konden en moesten weten, dat de grond, waarop het werk moest worden uitgevoerd, zonder byzondere voorzieningen daarvoor ongeschikt was; "dat hieromtrent echter in de inleidende dagvaarding niets is gesteld, en de daarin genoemde fouten, welke gemaakt zouden zijn, betrekking hebben op het bestek en de plannen en teekeningen, welke door den architect van den rechtsvoorganger van appellanten zijn opgemaakt, en waarmede deze blijkens de aanbesteding van het werk genoegen heeft genomen, niet- tegenstaande, zooals door appellanten niet behoorlijk is weersproken, hem is gewezen op de wenschelijkheid van onderheiing van den grond; "dat, nu de geintimeerden onder deze omstandigheden het werk geheel volgens het bestek en de plannen en teekeningen hebben uitgevoerd, zooals het aanbesteed was, van wanprestatie geen sprake is; " Overwegende dat tegen dit arrest zijn aangevoerd de volgende middelen van cassatie: 1.
Schending, althans verkeerde toepassing van artikel 1645, alsmede van de artikelen 1279, 1280, 1281,1282, 1283, 1374, 1375, 1376, 1401 en 1402 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 48 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, doordat het Hof, na feitelijk te hebben aangenomen, dat de in de inleidende dagvaarding genoemde fouten, welke gemaakt zouden zijn, betrekking hebben op het bestek en de plannen en teekeningen welke door den architect van den rechtsvoorganger van eischers in cassatie zijn gemaakt, en waarmede deze blijkens de aanbesteding van het werk genoegen heeft genomen, niettegenstaande, zooals door eischers in cassatie niet behoorlijk is weersproken, hem is gewezen op de wenschelijkheid van onderheiing van den grond, - heeft beslist, dat nu de verweerders in cassatie onder deze omstandigheden het werk geheel volgens het bestek en de plannen en teekeningen hebben uitgevoerd, zooals het aanbesteed was, van wanpraestatie geen sprake is; zulks ten onrechte: naardien deze beslissing in strijd is met de algemeene beginselen van contractueele aansprakelijkheid en speciaal met de algemeene in de historie en jurisprudentie gangbare juiste opvatting omtrent de aansprakelijkheid van aannemers voor een bouwwerk nà oplevering, uitgelegd volgens de beginselen der goede trouw, daar immers, waar in casu ten processe vaststaat, dat de gebreken van het gebouwde te wijten zijn aan ongeschiktheid van den ondergrond, de aannemers, in casu verweerders in cassatie, hiervoor aansprakelijk zijn, en hieraan niet afdoet, dat de voorganger van eischers in cassatie genoegen heeft genomen met het bestek en de plannen en teekeningen door den architect opgemaakt, niettegenstaande hem is gewezen op de wenschelijkheid van onderheiing van den grond, en even weinig de omstandigheid, dat de verweerders in cassatie bestek, plannen en teekeningen opgemaakt door den architect en goedgekeurd door den aanbesteder, correct hebben gevolgd, zijnde immers de verweerders in cassatie, de aannemers, als deskundigen zelfstandig gehouden desnoodig bestek en voorwaarden af te keuren of te weigeren op zoodanig bestek en voorwaarden te arbeiden, in ieder geval gehouden om deugdelijk werk te leveren, en niet quasi ac cadaver achter een bestek en plannen aan te loopen, welker opvolging, gelijk zij als deskundigen kunnen en moeten weten (zulks in tegenstelling met den leek-aanbesteder) fatale gevolgen met zich moet brengen, gezien de gesteldheid van den ondergrond, welke zij als deskundigen evenzeer kunnen en moeten kennen; dit alles, tenzij de aannemers, verweerders in cassatie, hunne aansprakelijkheid ten deze hadden uitgesloten, waartoe zij wettelijk het recht hadden, doch van welke bevoegdheid zij geen gebruik hebben gemaakt; dekkende dit standpunt van eischers in cassatie zich volkomen met de opvatting van het Gerechtshof in het te deze aanzien volkomen juist (uit anderen hoofde vernietigd) gewezen arrest van het Gerechtshof in deze zelfde zaak van 15 November 1928, blijkende uit de overwegingen: "dat het Hof op grond van dit rapport en van de tusschen partijen vaststaande feiten als bewezen aanneemt, dat het gebouwde ernstige verzakking en scheuren vertoont en deze gebreken te wijten zijn aan ongeschiktheid van den ondergrond, waarvoor geintimeerden (verweerders in cassatie) krachtens artikel 1645 aansprakelijk zijn; "dat hieraan niet afdoet, dat [de overleden echtgenoot] , met het oog op de kosten, de onderheiing niet heeft gewild, in de eerste plaats omdat ook een andere bewerking van den ondergrond, als boven omschreven, de thans zich voordoende gebreken had kunnen voorkomen, en in de tweede plaats omdat, zoolang de architect en de aannemers hun aansprakelijkheid ter zake van de geschiktheid van den ondergrond niet uitdrukkelijk hebben uitgesloten en de aanbesteder daarmede genoegen heeft genomen, hun aansprakelijkheid blijft bestaan, nu zij het werk ondanks de ongeschiktheid van den ondergrond en den onwil van den aanbesteder om te onderheien, toch hebben ondernomen; "dat, waar de architect en de aannemers met de geaardheid van den ondergrond bekend hadden kunnen en moeten zijn, hun aansprakelijkheid gelijkelijk behoort te worden verdeeld, daar de vordering tot hoofdelijke veroordeeling geen steun vindt in de wet; " --- Schending, althans verkeerde toepassing van artikel 59 meer speciaal sub 30 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, artikel 162 der Grondwet, artikel 48 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en artikel 20 der Wet op de Rechterlijke Organisatie, naardien het Hof heeft nagelaten op het tweede gedeelte van den eersten door eischers in cassatie als appellanten tegen het vonnis der Rechtbank te Rotterdam aangevoerden grief, te weten de ondeugdelijkheid van het deskundigenrapport om als bewijsmiddel te dienen, te beslissen, alsmede op het verzoek en de daartoe strekkende conclusie van toenmalige appellanten om een hernieuwd deskundigen onderzoek te gelasten; Overwegende omtrent het eerste middel: dat, voor zoover dit middel steunt op de stelling dat een aannemer, tenzij anders is overeengekomen, steeds aansprakelijk is voor gebreken aan het gebouwde, welke een gevolg zijn van de gesteldheid van den bodem, het niet tot cassatie kan leiden; dat toch, waar ten deze het werk niet is vergaan, zoodat het aangehaalde artikel 1645 van het Burgerlijk Wetboek niet toepasselijk is, deze aansprakelijkheid moet worden beoordeeld naar de algemeene regelen van den eersten en tweeden Titel van het Derde Boek van het Burgerlijk Wetboek; dat nu volgens deze regelen de aannemer alleen aansprakelijk is, indien hij zijne contractueele verplichtingen niet behoorlijk is nagekomen; dat, waar het Hof heeft vastgesteld dat het werk geheel is uitgevoerd volgens het bestek en de plannen door des aanbesteders architect opgesteld, terwijl de aanbesteder vruchteloos gewezen is op de wenschelijkheid van onderheiing uithoofde van de gesteldheid van den bodem, niet is in te zien in welk opzicht het Hof de verdere aangehaalde artikelen zou hebben geschonden door te beslissen, dat onder deze omstandigheden de aannemers zich niet aan wanprestatie hebben schuldig gemaakt; dat, voorzoover het middel mede steunt op de stelling, dat de aannemers zich aan wanprestatie hebben schuldig gemaakt door onder deze omstandigheden niet te weigeren het werk uit te voeren, het middel reeds hierom vruchteloos is voorgesteld, omdat het Hof feitelijk heeft beslist, dat deze wanpraestatie bij inleidende dagvaarding niet is gesteld; Overwegende dat het tweede middel feitelijken grondslag mist, omdat uit de stukken, waarvan de Hooge Raad kennis mag nemen, niet blijkt dat eischers de in dat middel bedoelde grieven in hooger beroep hebben aangevoerd; Verwerpt het beroep. Veroordeelt eischers in de kosten op de cassatie gevallen, tot op de uitspraak van dit arrest aan zijde van verweerders begroot op vijftien gulden aan verschot en op vierhonderd vijftig gulden voor salaris. Gedaan bij de Heeren Fentener van Vlissingen, President, Visser, Kosters, Van den Dries en Van Gelein Vitringa, Raden, en door den Raadsheer Visser uitgesproken ter openbare terechtzitting van den achttienden Maart 1900 Twee en Dertig, in bijzijn van den Advocaat-Generaal Besier