Rechtspraak Hoge Raad 1988-11-25
ECLI:NL:HR:1988:AD0526
25 november 1988 Eerste Kamer Rek.nr. 7483 Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [verzoeker], wonende te [woonplaats], VERZOEKER tot cassatie, advocaat: Mr. G.E.M. Later. 1. Het geding in feitelijke instantie Bij een op 16 augustus 1988 ter griffie van het Kantongerecht ingekomen verzoekschrift heeft [betrokkene 1] - vader van verzoeker tot cassatie - onder overlegging van een geneeskundige verklaring als bedoeld in art. 16 Kw. de Kantonrechter verzocht machtiging te verlenen om verzoeker tot cassatie voorlopig te doen opnemen in Duin en Bos te Castricum. Nadat verzoeker tot cassatie - hierna te noemen . "de patiënt" -, zijn raadsvrouw, [betrokkene 1] en de [huisarts] waren gehoord, heeft de Kantonrechter bij beschikking van 24 augustus 1988 de machtiging tot voorlopige plaatsing van de patiënt in het psychiatrisch ziekenhuis St. Willibrordus te Heiloo verleend en de beschikking uitvoerbaar verklaard bij voorraad. De beschikking van de Kantonrechter is aan deze beschikking gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen de beschikking van de Kantonrechter heeft de patiënt beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. De conclusie van de Advocaat-Generaal Ten Kate strekt tot verwerping van het verzoek. 3. Beoordeling van het middel De Kantonrechter heeft overwogen dat "vervolgens" de vader van [verzoeker], [betrokkene 1], hem "nadien" heeft bericht dat "[verzoeker] thuis niet meer is te handhaven en ook met een mes in de hand heeft gedreigd suïcide te plegen en voorts hem, [betrokkene 1], heeft bedreigd met een vaas". Klaarblijkelijk bedoelt de Kantonrechter hiermee dat dit bericht hem heeft bereikt nadat het verhoor van de patiënt had plaatsgevonden en nadat deze had geweigerd te worden opgenomen in de inrichting St. Willibrordus te Heiloo. Dit is niet onbegrijpelijk. In zoverre faalt onderdeel 1. Voor zover onderdeel 2 in samenhang met onderdeel 1 de klacht behelst dat de patiënt over dit bericht "niets ( ... ) heeft kunnen zeggen", stuit het af op het bepaalde in art. 100 lid 2 RO, aangezien deze klacht niet valt te brengen onder een der gronden omschreven in art. 100 lid 1, onder 1°, 3° en 4°. Voor het overige mist onderdeel 2 feitelijke grondslag. De Kantonrechter heeft voldoende duidelijk tot uitdrukking gebracht dat hij het in het onderdeel bedoelde criterium heeft gehanteerd. 4. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Deze beschikking is gegeven door de raadsheren Mrs. Bloembergen, als voorzitter, Haak en Davids, en in het openbaar uitgesproken door Mr. Hermans op 25 november 1988.