Rechtspraak Hoge Raad 1992-01-31
ECLI:NL:HR:1992:ZC0487
31 januari 1992Eerste Kamer Nr. 14.445 AS Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: De Ontvanger der Directe Belastingen, kantoorhoudende te Helmond, EISER tot cassatie, advocaat: Mr. J.L. Franx, t e g e n [verweerder], wonende te [woonplaats], VERWEERDER in cassatie, advocaat: Mr. P.S. Kamminga. 1. Het geding in feitelijke instanties Verweerder in cassatie — verder te noemen [verweerder] — heeft bij exploot van 24 februari 1986 eiser tot cassatie — verder te noemen de Ontvanger — gedagvaard voor de Rechtbank 's-Hertogenbosch, waarbij hij in verzet is gekomen tegen een aantal tegen hem uitgevaardigde en in het exploot omschreven dwangbevelen betreffende in 1983 en 1984 aan hem opgelegde ambtshalve aanslagen en waarbij hij heeft gevorderd hem tot goed opposant te verklaren tegen de hiervoor bedoelde dwangbevelen en deze buiten effect te stellen. De Ontvanger is niet ter terechtzitting verschenen. De Rechtbank heeft bij verstekvonnis van 23 mei 1986 [verweerder] tot goed opposant verklaard. Tegen dit vonnis heeft de Ontvanger bij exploot van 25 juni 1986 verzet gedaan. Nadat [verweerder] verweer had gevoerd, heeft de Rechtbank bij vonnis van 4 december 1987 de Ontvanger tot goed opposant verklaard, het vonnis waartegen verzet vernietigd, de Ontvanger ontheven van de daarbij tegen hem uitgesproken veroordelingen en [verweerder] zijn vorderingen ontzegd. Tegen laatstgenoemd vonnis heeft [verweerder] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof 's Hertogenbosch, waarbij hij, naast toewijzing van zijn oorspronkelijke vorderingen, een verklaring voor recht heeft gevraagd, inhoudend dat de Ontvanger door de tenuitvoerlegging van de dwangbevelen jegens hem een onrechtmatige daad heeft gepleegd. Bij arrest van 5 februari 1990 heeft het Hof het bestreden vonnis vernietigd, [verweerder] tot goed opposant verklaard voor wat betreft de dwangbevelen met betrekking tot de aanslagen over 1984 en deze buiten effect gesteld; voorts heeft het Hof voor recht verklaard dat de Ontvanger jegens [verweerder] onrechtmatig heeft gehandeld bij zijn invorderingsmaatregelen betreffende de zeven in het arrest genoemde aanslagen en [verweerder] zijn vorderingen voor het overige ontzegd. Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen het arrest van het Hof heeft de Ontvanger beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. [verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten. De conclusie van de Advocaat-Generaal Mok strekt tot verwerping van het beroep. 3. Beoordeling van het middel 3.1 In cassatie moet van het volgende worden uitgegaan. Op 14 februari 1986 heeft de Ontvanger tegen [verweerder] met toepassing van art. 9 in verbinding met art. 14 bis van de toen geldende Invorderingswet een aantal dwangbevelen uitgevaardigd en uit hoofde daarvan executoriaal beslag doen leggen op de roerende zaken in de woning van [verweerder] en op zijn bankrekeningen. Het Hof heeft geoordeeld dat de Ontvanger bij deze maatregelen onvoldoende zorgvuldigheid jegens [verweerder] heeft betracht en derhalve jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld. Het Hof heeft dit oordeel gegrond op de volgende, door het Hof als vaststaand beschouwde feiten: a. De Ontvanger is tot de vervroegde invordering en beslaglegging overgegaan in verband met ambtshalve aanslagen welke, wat het jaar 1983 betreft, met dagtekening van 31 januari 1986 zijn vastgesteld op grond van een reeds van 28 augustus 1985 daterende mededeling van de F.I.O.D. aan de Inspecteur: ‘’Tijdens een door de F.I.O.D. ingesteld onderzoek tegen het bedrijf A[A] B.V., gevestigd te [plaats] is gebleken dat door [A] aan de hieronder genoemde personen provisiebetalingen zijn gedaan. 1. [verweerder], geboren [geboortedatum] 1943, wonende te [woonplaats], [a-straat 1]. Inzake ‘’diverse projecten’’. d.d. 6 mei 1983 fl 30.000,-- (zie bijlage 1), d.d. 8 juni 1983 fl 160.000,-- (zie bijlage 2).' Ook over 1984 werden toen ambtshalve aanslagen opgelegd hoewel [verweerder] een uitstel tot 31 maart 1986 had verkregen voor het doen van aangifte van zijn inkomen over 1984, welk uitstel dus nog niet was verstreken. b. De beslaglegging vond plaats ter zake van 5 belastingaanslagen/premieheffingen over 1983 tot een totaalbedrag van fl 343.734,-- en ter zake van 2 belastingaanslagen/premieheffingen over 1984 tot een bedrag van fl 107.018,--. c. Het inkomen over 1983 is thans door de inspecteur op nihil bepaald, hetgeen betekent, dat het totale bedrag van fl 343.734,-- niet verschuldigd is gebleken. d. De Inspecteur, die uiteindelijk geen andere aanleiding had tot de vaststelling van de ambtshalve aanslagen over te gaan dan de reeds maanden oude summiere informatie van de F.I.O.D., won geen inlichtingen in bij [verweerder] (van nadere inlichtingen elders is niets gebleken) over de juistheid van die informatie en de reden waarom [verweerder] de bedoelde provisies niet had opgegeven als inkomen. [verweerder] had de Inspecteur dan kunnen mededelen dat hij reeds sinds 1984 procedeerde over de vraag of hij wel recht had op die provisies. e. De beleidslijn is, zoals de Ontvanger zelf stelt, dat hij vóór hij tot ingrijpende invorderingsmaatregelen voor nog niet onherroepelijke aanslagen overgaat, de juistheid van die aanslagen marginaal toetst. De Ontvanger stelt dit in casu te hebben gedaan door bij de Inspecteur naar de juistheid te informeren. [verweerder] betwist dit. De Ontvanger biedt geen bewijs aan zodat niet mag worden aangenomen dat de Ontvanger deze informatie heeft ingewonnen. De vraag of de Ontvanger op inlichtingen van de Inspecteur — aangenomen dat deze ondanks het onder d vermelde positief zouden zijn geweest — mocht vertrouwen komt dus niet aan de orde. f. De Ontvanger is zonder voorafgaande aanmaning tot deze drastische invorderingsmaatregelen overgegaan op een tijdstip, waarop [verweerder] met vakantie in het buitenland was, terwijl op dat tijdstip, naar van algemene bekendheid is, vele Nederlanders zeker met maatschappelijke achtergronden als [verweerder] en van zijn leeftijd met vakantie buitenslands plegen te vertoeven, namelijk gedurende de crocus- ofwel carnavalsvakantie. 3.2 De onderdelen A–D van het middel richten zich met een reeks klachten tegen 's Hofs hiervoor in 3.1 weergegeven oordeel. Dit oordeel moet aldus worden verstaan dat het Hof alle hiervoor onder a - f opgesomde omstandigheden, te zamen en in onderling verband beschouwd, aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd, zodat 's Hofs arrest niet in stand zal kunnen blijven wanneer slechts één van de klachten die tegen de vaststelling of meeweging van deze omstandigheden is gericht, doel treft. Verder verdient opmerking dat het Hof kennelijk en terecht — en in cassatie dan ook niet bestreden — ervan is uitgegaan dat in dit geding, waarin het in de eerste plaats ging om een verzet tegen de tenuitvoerlegging van dwangbevelen, ook kon worden geoordeeld over de in hoger beroep gevorderde verklaring voor recht. Noch de Invorderingswet 1845, noch de Invorderingswet 1990, noch enige andere rechtsregel staat eraan in de weg dat een belastingplichtige in een geding in verzet komt tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel en schadevergoeding of een verklaring voor recht vordert op grond van de onrechtmatigheid van de genomen invorderingsmaatregel. 3.3 Bij de behandeling van de onderdelen A, B en C moet voorts het volgende worden vooropgesteld. Bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de maatregelen van de Ontvanger die tot vervroegde invordering van door de Inspecteur ambtshalve opgelegde aanslagen overgaat, dienen alle omstandigheden van het geval in aanmerking te worden genomen, die van belang zijn voor het antwoord op de vraag of hetgeen aan de zijde van de Staat met het oog op deze invordering is geschied, in strijd komt met algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het zorgvuldigheidsbeginsel, en derhalve een onrechtmatige daad oplevert.