Rechtspraak Hoge Raad 1996-10-16
ECLI:NL:HR:1996:AA1520
Bestuursrecht
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 3 november 1995 op het verzet van belanghebbende tegen de beschikking van de Voorzitter van de Belastingkamer van dat Hof betreffende de hem over het jaar 1995 opgelegde aanslag in de onroerende zaakbelastingen van de gemeente Leeuwarden. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1995 een aanslag in de onroerende zaakbelastingen van de gemeente Leeuwarden opgelegd, ten bedrage van f 417,--. Bij uitspraak van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Leeuwarden is belanghebbende in zijn bezwaar tegen deze aanslag niet-ontvankelijk verklaard. Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. Bij beschikking van 14 juli 1995 heeft de voorzitter van de belastingkamer van het Hof het beroep van belanghebbende verworpen. Het Hof heeft het verzet van belanghebbende tegen die beschikking ongegrond verklaard. 2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij enige klachten aangevoerd. Burgemeester en Wethouders hebben een vertoog schrift ingediend. 4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. Dit arrest is op 16 oktober 1996 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Urlings, Zuurmond, Fleers en Pos, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Reijngoud, en op die datum in het openbaar uitgesproken.