Rechtspraak Hoge Raad 1996-01-31
ECLI:NL:HR:1996:AA1896
Bestuursrecht
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 11 mei 1994 betreffende de aan X te Z voor het jaar 1991 opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1991 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 81.785,--. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 79.656,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie De Staatssecretaris van Financiën heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Belanghebbende heeft een vertoogschrift ingediend. "De omvang van de basisbeurs in het kader van de nieuwe studiefinanciering is zodanig dat indien de student een basisbeurs geniet bij de ouder buitengewone lastenaftrek in verband met het voorzien in het levensonderhoud van een studerend kind achterwege kan blijven". Ook elders in de parlementaire stukken van dit wetsontwerp waar dit punt aan de orde komt, wordt gesproken over het vervallen van de mogelijkheid van aftrek als buitengewone last in gevallen waarin de studerende "een basisbeurs geniet" of "studiefinanciering op grond van hoofdstuk II gaat genieten" (Kamerstukken II, 1984-85, 19 125, nr. 6, blz. 19, en nr. 16, blz. 14). In het licht van deze wetsgeschiedenis brengt een uitlegging van artikel 46, lid 1, letter a, onder 1°, welke recht doet aan de strekking ervan mede, een kind dat in feite geen basisbeurs geniet wegens korting op grond van de bij haar veronderstelde draagkracht wegens inkomsten van de partner met wie zij ongehuwd samenwoont, te rekenen tot de kinderen "die geen recht hebben op studiefinanciering ingevolge hoofdstuk II van de Wet op de studiefinanciering". 3.5. In het midden kan blijven of, zoals in het middel nog wordt betoogd, belanghebbende voor zijn dochter over het onderhavige kwartaal recht had op kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet. Nu vaststaat dat belanghebbende die kinderbijslag heeft aangevraagd maar dat deze hem door het bevoegde overheidsorgaan is geweigerd, moet voor de toepassing van artikel 46, lid 1, letter a, onder 1°, ervan worden uitgegaan dat belanghebbende geen recht had op kinderbijslag. 3.6. Uit het vorenoverwogene volgt dat het middel faalt. 4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. Dit arrest is op 31 januari 1996 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Urlings, Zuurmond, C.H.M. Jansen en Fleers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Loen, en op die datum in het openbaar uitgesproken. Van de Staatssecretaris van Financiën wordt ter zake van het instellen van dit beroep een griffierecht geheven van (ƒ 300,-- minus het ter zake van de vervanging van de mondelinge uitspraak bij het Hof gestorte bedrag van ƒ 150.,--) ƒ 150,--.