Rechtspraak Hoge Raad 1996-03-27
ECLI:NL:HR:1996:AA2004
Bestuursrecht
gewezen op het beroep in cassatie van Gedeputeerde Staten van de Provincie Utrecht tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 17 maart 1995 betreffende na te melden aan X te Z opgelegde aanslag in de zuiveringsheffing voor het jaar 1989 van de provincie Utrecht. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1989 een aanslag in de zuiveringsheffing van de Provincie Utrecht opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van Gedeputeerde Staten van de Provincie Utrecht is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van Gedeputeerde Staten in beroep gekomen bij het Hof. Bij ambtshalve gegeven beschikking van Gedeputeerde Staten van 16 november 1993 is de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar 3 vervuilingseenheden met een verhoging van ƒ 9,05. Het Hof heeft de uitspraak van Gedeputeerde Staten vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar 3 vervuilingseenheden, zonder toepassing van verhoging. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie Gedeputeerde Staten hebben tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel. Belanghebbende heeft een vertoogschrift ingediend. 4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. Dit arrest is op 27 maart 1996 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Zuurmond en C.H.M. Jansen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Reijngoud, en op die datum in het openbaar uitgesproken. Van Gedeputeerde Staten wordt een griffierecht geheven van ƒ 300,--. Met dit bedrag wordt verrekend het bedrag van ƒ 150,-- dat bij het Hof is betaald voor de vervanging van de mondelinge uitspraak zodat nog resteert te betalen ƒ 150,--.