Rechtspraak Hoge Raad 1996-09-25
ECLI:NL:HR:1996:AA2030
Bestuursrecht
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 31 augustus 1995 betreffende de aan hem opgelegde aanslag in het recht van successie ter zake van zijn verkrijging uit de nalatenschap van A, verleden op 3 december 1987. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is een aanslag in het recht van successie opgelegd naar een verkrijging van ƒ 13.410.640,- welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd met ƒ 67.987,35. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een verkrijging van ƒ 11.921.481,- onder verrekening van ƒ 37.905,- aan buitenlands recht. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend. 4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten, als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. Dit arrest is op 25 september 1996 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter en de raadsheren Urlings, C.H.M. Jansen, Fleers en Pos, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Boorsma, en op die datum in het openbaar uitgesproken.