Rechtspraak Hoge Raad 1997-09-24
ECLI:NL:HR:1997:AA2255
Bestuursrecht
gewezen op het beroep in cassatie van de vereniging X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's- Gravenhage van 25 oktober 1995 betreffende na te melden aan haar voor het jaar 1992 opgelegde aanslag in de verontreinigingsheffing oppervlaktewateren van het Hoogheemraadschap van Rijnland. 1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is als feitelijk gebruiker van een bedrijfsruimte voor het jaar 1992 een aanslag in de verontreinigingsheffing opgelegd, berekend naar een vervuilingswaarde van 459 vervuilingseenheden, ten bedrage van ƒ 36.710,20. In deze aanslag is op de voet van artikel 9, lid 3, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een verhoging begrepen ten bedrage van ƒ 1.000,--. Na daartegen gemaakt bezwaar is de aanslag bij uitspraak van de Directeur Financiën van het Hoogheemraadschap van Rijnland (hierna: de Directeur) gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Directeur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak vernietigd en de aanslag verminderd met het bedrag van de verhoging. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daar van deel uit. De Directeur heeft een vertoogschrift ingediend. Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door haar advocaat mr A.J.G. Jukema. klacht die zich tegen dit oordeel richt faalt derhalve. 3.3. De klacht dat het Hof zijn oordeel mede heeft gebaseerd op de "nieuwe" statuten van belang hebbende, waarin staat vermeld dat het bestuur bevoegd is de van het Hoogheemraadschap van Rijnland ontvangen aanslagen verontreinigingsheffing opper vlaktewateren op de leden en andere eigenaren voor hun deel te verhalen, faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. 3.4. Ook de klacht dat de aanslag ten onrechte naar het forfaitaire tarief als bedoeld in artikel 18, lid 2, van de Wet ter zake van woonruimten is berekend faalt wegens gebrek aan feitelijke grond slag. De uitspraak van het Hof en de stukken van het geding laten geen andere gevolgtrekking toe dan dat de - ambtshalve opgelegde - aanslag berust op een schatting van het totale waterverbruik van de tot het park behorende woningen en dat bij deze schatting is uitgegaan van een gemiddelde vervuiling van 3 inwonerequivalenten per woonruimte. 3.5. De klacht die erop neer komt dat het Hof ten onrechte ervan is uitgegaan dat belanghebbende met de berekeningswijze van de aanslag kon instemmen kan evenmin tot cassatie leiden aangezien de uitleg van de standpunten van partijen is voorbehouden aan het Hof. Voorzover deze klacht bedoelt het - kennelijke - oordeel van het Hof te bestrijden dat de aan het slot van 3.4. bedoelde schatting niet onredelijk is, richt de klacht zich tegen een feitelijk en niet onbegrijpelijk oordeel en faalt zij om die reden. 4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. Dit arrest is op 24 september 1997 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Urlings, Fleers, Pos en Beukenhorst, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Barendse, en op die datum in het openbaar uitgesproken.