ECLI:NL:HR:1998:AA2484
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 13 november 1996 betreffende de hem voor het jaar 1989 opgelegde aan slag inkomstenbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is voor het jaar 1989 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van f 195.678,--. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoog schrift ingediend.
3. Uitgangspunten in cassatie 3.1. Aan belanghebbende is een aangiftebiljet A voor de inkomstenbelasting/premies volksverzekeringen voor het jaar 1989 uitgereikt door de Belastingdienst/Particulieren P. Op 29 maart 1990 is door de gemachtigde van belanghebbende aan de inspecteur der directe belastingen te Q, als kantoorinspecteur van de gemachtigde, in het kader van de uitstelregeling P- aangiften uitstel verzocht tot 1 januari 1991. Dit uitstel is conform de geldende uitstelregeling verleend.
Nadat geconstateerd was dat de aangifte nog niet was gedaan, is door de Belastingdienst/Particulieren P op 14 januari 1991 aan belanghebbende een aanmaning verzonden. Op 15 januari 1991 heeft belanghebbende telefonisch contact opgenomen met een ambtenaar van de Belastingdienst/Particulieren P. Daarvan is door die ambtenaar een telefoonnotitie gemaakt. De aangifte is gedaan op 5 maart 1991. Het aanslagbiljet is gedagtekend 26 november 1993; er is geen verhoging toegepast wegens het te laat doen van aangifte. 3.2. Belanghebbende is directeur/grootaandeelhouder van B B.V. Deze vennootschap is in een fiscale eenheid als bedoeld in artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 verbonden met haar dochtervennootschap A B.V. Belanghebbende heeft per 1 oktober 1989 een tot zijn privé-vermogen behorend bedrijfspand verhuurd aan A B.V. alsmede aan D B.V.; beide rechtspersonen zijn ten opzichte van de verhuurder hoofdelijk aansprakelijk voor alle uit de huurovereenkomst voortvloeiende verbintenis sen. De per 1 oktober 1989 overeengekomen huur beloopt f 84.000,-- per jaar, bij vooruitbetaling in twaalf maandelijkse termijnen van f 7.000,-- te voldoen. Op 27 december 1989 heeft belanghebbende de huurtermijnen over de periode 1 januari 1990 tot en met 31 december 1991 verkocht aan B B.V. voor f 153.000,--. Deze vennootschap heeft uit dien hoofde in 1990 en 1991 in totaal f 172.346,-- aan huuropbrengsten ontvangen.
4. Ambtshalve aanwezig bevonden grond voor cassatie Nu tussen partijen niet in geschil was dat de Inspecteur bij zijn uitspraak op het bezwaar belanghebbende ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, had het Hof die uitspraak niet mogen bevestigen, maar (ambtshalve) moeten vernietigen, om vervolgens alsnog op het bezwaar te beslissen. Reeds hierom kan 's Hofs uitspraak niet in stand blijven.
Dit arrest is op 18 maart 1998 vastgesteld door de raadsheer Zuurmond als voorzitter, en de raadsheren Fleers, Pos, Beukenhorst en Monné, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Boorsma, en op die datum in het openbaar uitgesproken.
7. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.