Rechtspraak Hoge Raad 1999-03-03
ECLI:NL:HR:1999:AA2686
Bestuursrecht
gewezen op het beroep in cassatie van het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Heusden tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 15 mei 1998 betreffende na te melden aan X te Z opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting van de gemeente Heusden. 1. Naheffingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof Aan belanghebbende is ter zake van het parkeren op 27 oktober 1996 een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting van de gemeente Heusden opgelegd ten bedrage van f 66,--, bestaande uit f 1,-- aan enkelvoudige belasting en f 65,-- aan kosten terzake van het opleggen van die aanslag. De aanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Heusden (hierna: B en W) gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van B en W in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak en de naheffingsaanslag vernietigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Geding in cassatie B en W hebben tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie in gesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. 4. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten, als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken. Dit arrest is op 3 maart 1999 vastgesteld door de raadsheer Pos als voorzitter, en de raadsheren Beukenhorst en Monné, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Boorsma, en op die datum in het openbaar uitgesproken. Van de gemeente wordt terzake van het beroep in cassatie een griffierecht geheven van f 90,--.