Rechtspraak Hoge Raad 2000-01-11
ECLI:NL:HR:2000:ZD6565
Strafrecht
11 januari 2000 Strafkamer Nr. 322-99-V CJIB 14446726 SM Hoge Raad der Nederlanden Beschikking Op het beroep in cassatie tegen de beschikking van de Kantonrechter te Rotterdam van 12 februari 1999 betreffende: [betrokkene] , wonende te [woonplaats]. 1. De beschikking van de Kantonrechter De Kantonrechter heeft het verzet van de betrokkene tegen de tenuitvoerlegging van een door de Officier van Justitie in het arrondissement Leeuwarden op 8 juli 1998 uitgevaardigd dwangbevel ongegrond verklaard. De beschikking van de Kantonrechter is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. 2. Geding in cassatie De betrokkene heeft tegen de beschikking van de Kantonrechter beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. Ingevolge art. 26a, tweede lid, WAHV is degene die beroep in cassatie heeft ingesteld tegen een beschikking als de onderhavige slechts ontvankelijk in dat beroep na voorafgaande zekerheidstelling van het nog verschuldigde bedrag en van al de kosten en het op grond van art. 36 WAHV verschuldigde griffierecht. Bij brief van 5 maart 1999 heeft de Griffier van het Kantongerecht de betrokkene in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken na de dag van verzending van zijn mededeling zekerheid te stellen door storting van het verschuldigde bedrag op de rekening van het Centraal Justitieel Incassobureau te Leeuwarden. Uit een brief van de Griffier van het Kantongerecht gedateerd 22 april 1999 aan de Griffier van de Hoge Raad blijkt evenwel dat binnen die termijn geen zekerheid is gesteld. De Hoge Raad verklaart de betrokkene niet-ontvankelijk in het beroep. Deze beschikking is gegeven door de vice-president Davids als voorzitter, en de raadsheren Van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp en Koster, in bijzijn van de waarnemend-griffier Verboon, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 januari 2000.