Rechtspraak {'name': 'Hoge Raad', 'resource_id': 'http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Hoge_Raad_der_Nederl 2005-02-08
ECLI:NL:HR:2005:AR3214
{'name': 'Strafrecht', 'resource_id': 'http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht'}
8 februari 2005 Strafkamer nr. 00791/04 E PB/IV Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem, Economische Kamer, van 8 december 2003, nummer 21/002687-01, in de strafzaak tegen: [verdachte], gevestigd te [vestigingsplaats]. 1. De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Economische Politierechter in de Rechtbank te Almelo van 8 november 2001 - voorzover aan 's Hofs oordeel onderworpen - de verdachte ter zake van "opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 24 van de Wet milieugevaarlijke stoffen, begaan door een rechtspersoon" veroordeeld tot een geldboete van € 9.000,-- waarvan een gedeelte, groot € 4.500,-- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. 2. Geding in cassatie 2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. T.J.H. Zwiers, advocaat te Enschede, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal. 3.1. De middelen, die zich voor gezamenlijke bespreking lenen, klagen er in de kern over dat het Hof ten onrechte heeft aangenomen dat het voorschrift van art. 4 van het Vuurwerkbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen van toepassing is op het vuurwerk dat de verdachte heeft afgeleverd en dat het Hof een dienaangaand gevoerd verweer ten onrechte, althans op ontoereikende gronden heeft verworpen. 3.2.1. Bij het bestreden arrest is overeenkomstig de tenlastelegging ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat zij: "op 28 december 1999 in de gemeente Borne, opzettelijk, een hoeveelheid vuurwerk als bedoeld in het Vuurwerkbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen, te weten - 27 kilogram van het type "New Springwind" en - 4 (zogenaamde) chinese rol(len), 100.000 klap, en - 15 kilogram van het type "Magic Sky" en - 20 kilogram van het type "Blossom After" en - 60 kilogram van het type "Bom Bard" en - 6 kilogram van het type "Zilver Crosett" en - een (zogenaamde) chinese rol 50.000 klap, en - 9 kilogram van het type "Bom Bard" en - 15 kilogram van het type "Silver Sparks" en - 7 kilogram vuurpijlen heeft afgeleverd aan [betrokkene 1], terwijl dat vuurwerk telkens niet voldeed aan een bij het Vuurwerkbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen gestelde eis, immers was genoemd vuurwerk telkens in strijd met het bepaalde in artikel 4 van het Vuurwerkbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen telkens niet voorzien van de aanduiding "voor particulier gebruik". 3.2.2. Het Hof heeft vastgesteld dat het hier gaat om professioneel vuurwerk (dat wil zeggen: vuurwerk dat is bestemd voor beroepsmatig gebruik) dat is afgeleverd aan een particulier. Blijkens de gebezigde bewijsmiddelen was een deel van het vuurwerk niet voorzien van enige aanduiding en was dat vuurwerk voor het overige voorzien van de aanduidingen "voor professioneel gebruik", onderscheidenlijk "niet voor particulier gebruik". 3.3. De tenlastelegging is toegesneden op overtreding van art. 3 Vuurwerkbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen, hierna: Vuurwerkbesluit (oud). Die bepaling luidt: "Het is verboden vuurwerk voorhanden te hebben of af te leveren, dat niet voldoet aan de bij of krachtens dit besluit gestelde eisen". De in de tenlastelegging en bewezenverklaring genoemde eis betreft die van art. 4, eerste lid, van het Vuurwerkbesluit (oud), te weten: "Vuurwerk moet voorzien zijn van de aanduiding: bestemd voor particulier gebruik". Inmiddels is het Vuurwerkbesluit (oud) vervangen door het "Vuurwerkbesluit" van 22 januari 2002, Stb. 2002, 33. 3.4. Het Hof heeft het in de middelen bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen: "De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting van dit hof aangevoerd, zoals nader is verwoord in de pleitnota, dat het Vuurwerkbesluit wet milieugevaarlijke stoffen (oud) (hierna genoemd 'het besluit') niet van toepassing is op het vuurwerk dat door verdachte is afgeleverd aan [betrokkene 1]. De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat tenminste artikel 4 van het besluit niet van toepassing is op het bij [betrokkene 1] aangetroffen vuurwerk, nu het nakomen van de verplichting van artikel 4 van het besluit bij professioneel vuurwerk niet bijdraagt aan de veiligheid van de gebruiker. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Nu het professioneel vuurwerk betreft dat door [verdachte] is bestemd tot aflevering aan particulieren, is het gedrag van verdachte strafbaar overeenkomstig hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest d.d. 6 februari 2001 (NJ 2001, nr. 498) heeft overwogen. Dat volgens [betrokkene 1] het vuurwerk door een persoon met een bezigingsvergunning zou worden afgestoken doet daar niet aan af. Nu het vuurwerk dat verdachte heeft afgeleverd behoorde tot de categorie van professioneel vuurwerk en verdachte dit derhalve niet mocht leveren aan een particulier ([betrokkene 1]), kon - en mocht - dat vuurwerk a fortiori niet voldoen aan de eisen die worden gesteld aan vuurwerk dat bestemd is voor particulieren, waaronder de eis die betrekking heeft op de etikettering van het vuurwerk met het etiket 'voor particulier gebruik'. Daarom kan uit de omstandigheid dat in de telastelegging en bewezenverklaring (alleen) het niet-voldoen aan deze eis wordt vermeld niet worden afgeleid dat verdachte verplicht zou zijn geweest om gebruik te maken van een etiket 'voor particulier gebruik', aangezien het vuurwerk daarmee immers niet van karakter kon veranderen." 3.5. Het Vuurwerkbesluit (oud) bepaalt in art. 2, eerste lid aanhef en onder b, dat het niet van toepassing is op vuurwerk dat niet is bestemd voor de particuliere gebruiker. In zijn arrest van 6 februari 2001, NJ 2001, 498 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat voor de vraag of vuurwerk is bestemd voor de particuliere gebruiker in de zin van genoemde bepaling, mede betekenis toekomt aan de feitelijke bestemming die aan dat vuurwerk wordt gegeven. Aldus is professioneel vuurwerk dat niettemin uiteindelijk een particuliere bestemming krijgt, alsnog onder het regiem van het Vuurwerkbesluit (oud) komen te vallen. Blijkens dat arrest is die uitleg ingegeven door het met het Vuurwerkbesluit (oud) beoogde doel, namelijk de bescherming van de particuliere gebruiker. Een andere uitleg, die niet ook de bestemming doch louter de aard van het vuurwerk beslissend doet zijn voor de toepasselijkheid van het Vuurwerkbesluit (oud) zou, gelet op de toenmalige regelgeving, hebben meegebracht dat gedragingen ten aanzien van professioneel vuurwerk dat uiteindelijk in handen van particulieren geraakt, niet door het Vuurwerkbesluit (oud) zouden worden bestreken en dientengevolge straffeloos zouden zijn. 3.6.1. De middelen stellen de vraag aan de orde of de term "bestemd voor particulier gebruik" in art. 4 Vuurwerkbesluit (oud) in overeenkomstige zin moet worden uitgelegd als de term "bestemd voor de particuliere gebruiker" in art. 2, eerste lid aanhef onder b, van dat besluit. 3.6.2. De Nota van Toelichting bij art. 4 van het Vuurwerkbesluit (oud) houdt in: "Hier is de verplichting opgenomen dat alle vuurwerk dat bestemd is om in Nederland in het vrije verkeer te worden gebracht en te worden gebruikt door particulieren, naar bestemming is aangeduid. Op deze wijze komt, in samenhang met de door de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer voorgenomen regeling betreffende bepaalde handelingen met niet voor particulieren bestemd vuurwerk, onmiskenbaar vast te staan of het vuurwerk òf met de bestemming beroepsmatig gebruik òf met de bestemming particulier gebruik op de markt wordt gebracht en onder welke regelingen een bepaald vuurwerk valt, waarbij met name de ladingseisen als onderscheidend kenmerk fungeren. In het verleden heeft de omstandigheid dat aan de buitenkant van het vuurwerk niet viel te zien met welke categorie men te maken had, zowel voor toezicht houdende autoriteiten als voor de detailhandel problemen opgeleverd." (Stb. 1993, 215) 3.6.3. Uit die Toelichting valt af te leiden dat de voorgeschreven aanduiding "bestemd voor particulier gebruik" - die vanaf het moment dat het vuurwerk in Nederland in het vrije verkeer wordt gebracht, moet zijn aangebracht - ertoe strekt te voorkomen dat professioneel vuurwerk in handen van particulieren komt. Die etikettering is dus uit preventief oogpunt voorgeschreven. Daarmee is niet verenigbaar dat voor wat betreft de term "bestemd voor particulier gebruik" in art. 4 niet uitsluitend de aard van het vuurwerk, maar mede de uiteindelijke feitelijke bestemming bepalend zou zijn. Dan zou immers het tegengestelde worden bereikt van hetgeen met het voorschrift van art. 4 is beoogd. De Hoge Raad: Vernietigt de bestreden uitspraak; Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd en spreekt haar daarvan vrij. Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens, A.J.A. van Dorst, B.C. de Savornin Lohman en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 8 februari 2005. Het vorenoverwogene brengt mee dat de overige middelen geen bespreking behoeven en dat als volgt moet worden beslist.