Rechtspraak Hoge Raad 2006-12-19
ECLI:NL:HR:2006:AZ1685
Strafrecht
19 december 2006 Strafkamer nr. 02658/05 LR/IC Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 28 juni 2005, nummer 22/005914-04, in de strafzaak tegen: [Verdachte], geboren op [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1955, ten tijde van de betekening van de aanzegging uit anderen hoofde gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Dordtse Poorten" te Dordrecht. 1. De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Dordrecht van 20 september 2004 - de verdachte ter zake van 1. "diefstal gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, door iemand die zich aldaar buiten weten van de rechthebbende bevindt" en 2. "diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels" veroordeeld tot vijf maanden gevangenisstraf. 2. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. J.L.A.M. le Cocq d'Armandville en mr. J.Y. Taekema, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen. 3.1. Het middel klaagt over de verwerping door het Hof van het verweer dat de Officier van Justitie ten onrechte een bevel tot afname van DNA-materiaal van de verdachte heeft gegeven. 3.2. Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen: "De raadsman heeft aangevoerd dat de Officier van Justitie ten onrechte is overgegaan tot het geven van een bevel tot afname van DNA materiaal met geen ander doel dan het opnemen van het DNA-profiel van de verdachte in de DNA-databank. Er is daarmee welbewust dan wel met grove veronachtzaming aan de belangen van de verdachte afbreuk gedaan. De Officier van Justitie heeft misbruik gemaakt van de hem toe komende bevoegdheid. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, daartoe aanvoerende dat door het openbaar ministerie bij de gedwongen afname van celmateriaal van de verdachte niet is voldaan aan de vereisten van subsidiariteit en proportionaliteit. De raadsman verzoekt een verklaring voor recht dat het bevel tot DNA-onderzoek onrechtmatig is gegeven en verzoekt de onderzoeksresultaten daaruit als onrechtmatig verkregen uit te sluiten van de bewijsvoering in de vandaag gelijktijdig maar niet gevoegde behandelde zaak tegen de verdachte onder rolnummer 22-006672-04. De verdachte heeft bij dit verweer in deze zaak geen rechtstreeks belang, nu enig resultaat van het DNA-onderzoek niet tot bewijs is gebezigd. Wel is het resultaat van dat onderzoek opgenomen in de DNA-databank en in zoverre van belang voor de gelijktijdig behandelde maar niet gevoegde zaak tegen de verdachte zoals door de raadsman aangegeven. Met het oog daarop heeft de verdachte een indirect belang bij het gevoerde verweer in de voorliggende zaak nu het bevel daarin is afgegeven. Het hof volgt de raadsman niet in zijn verweer en heeft bij dat oordeel het volgende in zijn overweging betrokken. Uit de wetsgeschiedenis, behorende bij de Wet van 5 juli 2001 tot wijziging van de regeling van het DNA-onderzoek in strafzaken (Stb.335), volgt - onder meer - dat de uitgangspunten voor het DNA-onderzoek onder andere zijn geweest dat het DNA-onderzoek uitsluitend mag worden gedaan voor strafvorderlijke doeleinden, dat wil zeggen de identificatie van een verdachte en dat als regel voorop dient te staan dat DNA-onderzoek ter identificatie van een bekende persoon wordt verricht aan de hand van afgenomen lichaamsmateriaal. (TK 1999/00, 26 271, nr.6, p.1). In de Nota naar aanleiding van het verslag van de vaste commissie van Justitie (TK 1999/00, 26 271, nr. 6,) staat: (tap, p.42): "Een bijkomend voordeel van het inschakelen van de officier van justitie is dat de mogelijkheid om het DNA-onderzoek in het voorbereidend onderzoek te gebruiken, wordt verruimd. Op die wijze wordt het mogelijk dat al in een vroeg stadium van het opsporingsonderzoek duidelijk wordt of de verdachte terecht als zodanig wordt aangemerkt, hetgeen naar mijn mening ook in het belang van de verdachte kan zijn." En (tap p.43) "Ik acht het daarom van belang dat DNA-onderzoek zich ontwikkelt tot een volwaardig opsporingsmiddel dat, uiteraard met waarborgen omgeven, op ruimere schaal wordt toegepast dan thans het geval is. Mede in dat licht acht ik het van belang dat de officier van justitie in ruimere mate de bevoegdheid krijgt DNA-onderzoek te laten verrichten." Artikel 151b Wetboek van Strafvordering is ingevoegd bij Nota van wijziging (TK 1999/00, 26 271, nr. 7). In de Nota naar aanleiding van het nader verslag van de vaste commissie van Justitie (TK 1999/00, 26 271, nr. 9, p 34) staat: "De leden van de PvdA-fractie vragen de regering nader in te gaan op de vraag wat moet worden verstaan onder "belang van het onderzoek". Omdat gesteld wordt dat ook indien de verdachte bekent DNA-onderzoek kan worden bevolen, vragen zij of met "onderzoeksbelang" alleen wordt bedoeld het belang van een concreet lopend onderzoek of ook het belang van het ophelderen van andere niet opgeloste misdrijven. Daaraan kan worden gedacht indien een verdachte een concreet misdrijf bekent in de hoop daarmee DNA-onderzoek te voorkomen dat hem naar eerdere, onopgeloste misdrijven kan leiden. Deze leden zouden graag vernemen of deze overweging ook bij de regering een rol heeft gespeeld. Met de woorden "in het belang van het onderzoek" in de voorgestelde artikelen 151b, eerste lid, en (..), Sv wordt bedoeld het belang van het opsporingsonderzoek (..) dat is ingesteld om een bepaald stafbaar feit op te lossen. DNA-onderzoek dat in een dergelijk kader plaatsvindt, dient gericht te zijn op het achterhalen van de dader van het desbetreffende strafbare feit of het bevestigen van het feit dat de verdachte die een positieve bekentenis heeft afgelegd, ook inderdaad de dader is; dat onderzoeksbelang moet het DNA-onderzoek rechtvaardigen. Het kan niet gerechtvaardigd worden door de wens delicten op te helderen waarop het onderzoek niet is gericht. Dat neemt niet weg dat het DNA-onderzoek tot gevolg kan hebben dat de dader van het desbetreffende strafbare feit in verband zou kunnen worden gebracht met andere, nog niet opgeloste strafbare feiten." En (tap, p. 11/12): De leden van de D66-fractie vragen op basis van welke criteria door de officier van justitie (..) wordt afgewogen in welke zaken DNA-onderzoek zal gaan plaatsvinden. Zij stellen deze vraag tegen de achtergrond dat de regering een ruimere, maar niet automatische toepassing van DNA-onderzoek voor ogen staat en dat niet elke winkeldiefstal ertoe hoeft te leiden dat het DNA-profiel van de betrokkene wordt vastgesteld en in de DNA-databank wordt opgenomen, mede gelet op de kosten en onderzoekscapaciteit. Ik heb met deze opmerking in het bijzonder gedoeld op de eenvoudige winkeldiefstal waarbij een winkelbezoeker van een onbewaakt ogenblik gebruik maakt om zich een goed van relatief geringe waarde wederrechtelijk toe te eigenen. In deze gevallen zal het in de praktijk veelal zo zijn dat de dief op heterdaad wordt betrapt. Bij betrapping op heterdaad zal DNA-onderzoek, indien vervolgens een gave bekentenis is afgelegd, als zijnde niet in het belang van het onderzoek, achterwege kunnen worden gelaten." Bij de stukken in het geding bevindt zich een 'Bevel tot DNA-onderzoek' gedateerd 17 maart 2004 en ondertekend door J. Koorn, officier van justitie, waarin wordt bevolen dat van de verdachte celmateriaal zal worden afgenomen ten behoeve van DNA-onderzoek terzake van de verdenking dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een misdrijf omschreven in artikel 417 Wetboek van Strafrecht. Op genoemde datum is de verdachte - in aanwezigheid van zijn raadsman - gehoord aangaande het bevel tot afname van DNA. Het bevel is afgegeven op een aanvraag van de Politie Zuid-Holland Zuid, d.d. 15 maart 2004, nummer 04-019876. In de aanvraag wordt melding gemaakt van - zakelijk weergegeven -: - een woninginbraak op 15/16 februari 2004, waarbij autosleutels zijn gestolen, een mobiele telefoon alsmede een zilvergrijze personenauto, merk Opel-Astra, kenteken [00-AA-BB]; - CIE informatie d.d. De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 19 december 2006. Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.