Rechtspraak Hoge Raad 2009-04-24
ECLI:NL:HR:2009:BH3192
Civiel recht
24 april 2009 Eerste Kamer 07/11225 RM/TT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: HEILBRON V.O.F., gevestigd te Doetinchem, EISERES tot cassatie, advocaat: mr. D.M. de Knijff, t e g e n RENSA GROEP B.V. e/o GELIEERDE ONDERNEMINGEN, gevestigd te Didam, gemeente Montferland, VERWEERSTER in cassatie, advocaat: aanvankelijk mr. R.L.M. van Opstal, thans mr. R.A.A. Duk. Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als Heilbron en Rensa. Heilbron is op vordering van Rensa bij eindvonnis van de rechtbank Zutphen van 21 juni 2006 veroordeeld tot betaling aan Rensa van een bedrag van € 17.310,-- te vermeerderen met de wettelijke rente en tot betaling van een bedrag van € 707.690,50, te vermeerderen met de wettelijke rente. Tegen het eindvonnis alsmede tegen het daaraan voorafgegane tussenvonnis van 15 februari 2006 heeft Heilbron bij exploot van 27 september 2006 hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem. Rensa heeft bij akte de niet-ontvankelijkheid van Heilbron verzocht, waarna Heilbron een antwoordakte heeft genomen. Bij arrest van 10 april 2007 heeft het hof Heilbron niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep van de vonnissen van 15 februari 2006 en 21 juni 2006 van de rechtbank Zutphen. Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht. Tegen het arrest van het hof heeft Heilbron beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Rensa heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor Heilbron mede door mr. R.L. Bakels, advocaat bij de Hoge Raad. De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het beroep. De advocaat van Heilbron en mr. R.L. Bakels voornoemd hebben bij brief van 26 februari 2009 op die conclusie gereageerd. 3.1 In cassatie is aan de orde de vraag of het hof bij zijn bestreden arrest Heilbron terecht wegens overschrijding van de appeltermijn niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar hoger beroep van de vonnissen van de rechtbank van 15 februari en 21 juni 2006 die tussen haar en Rensa zijn gewezen. 3.2 In cassatie geldt als uitgangspunt dat de appeltermijn op 22 september 2006 was verstreken en dat de deurwaarder eerst nadien, namelijk op 27 september 2006, de appeldagvaarding aan Rensa heeft betekend. 3.3 Het hof heeft zijn beslissing gebaseerd op de volgende overwegingen: "3.3 Heilbron stelt dat haar advocaat bij brief van 14 september 2006 de appeldagvaarding heeft toegezonden aan de deurwaarder met het verzoek deze tijdig aan het adres van de procureur van Rensa uit te brengen.Zij stelt dat de appeldagvaarding als gevolg van een fout van de deurwaarder niet tijdig is uitgebracht. Heilbron verwijst naar twee uitspraken van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Op grond van die jurisprudentie is het, wanneer bepaalde taken door de Staat exclusief aan deurwaarders worden opgedragen, niet redelijk fouten van die deurwaarders voor rekening van partijen te laten komen, zeker niet nu het gaat om iets zo fundamenteels als de toegang tot de rechter, aldus Heilbron. Heilbron beroept zich op schending van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), indien zij niet-ontvankelijk zou worden verklaard wegens overschrijding van de appeltermijn, en meent dat haar verzuim de appeldagvaarding binnen de appeltermijn uit te brengen als gevolg van een fout van de deurwaarder, verschoonbaar is, zodat zij ontvankelijk dient te worden verklaard in haar hoger beroep. 3.4 Het hof stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad in het belang van een goede rechtspleging omtrent het tijdstip waarop een termijn voor het instellen van hoger beroep (en cassatie) aanvangt en eindigt, duidelijkheid dient te bestaan en dat derhalve aan beroepstermijnen strikt de hand moeten worden gehouden. De Hoge Raad heeft daarop (in een verzoekschriftprocedure) een uitzondering gerechtvaardigd geacht (Hoge Raad 28 november 2003, NJ 2005, 465). 3.5 Het hof overweegt dat de feiten en omstandigheden die in die beschikking van de Hoge Raad aan de orde waren, zich in het onderhavige geval niet voordoen. Het gaat hier allereerst niet om een verzoekschriftprocedure, waarbij het door het ontbreken van een rol voor een procespartij soms niet eenvoudig is na te gaan wanneer de rechter uitspraak zal doen, maar om een dagvaardingsprocedure. Heilbron heeft (tijdig) kennisgenomen van het eindvonnis van de rechtbank. Heilbron werd bijgestaan door een advocaat. Onder die omstandigheden is er naar het oordeel van het hof geen reden om het verzuim om de appeldagvaarding binnen de wettelijke appeltermijn uit te brengen, als verschoonbaar aan te merken. 3.6 Heilbron beroept zich op een tweetal uitspraken van het EHRM met betrekking tot de schending van artikel 6 EVRM ("fair trial"). Beide procedures waren gericht tegen de staat Griekenland en betroffen (onder meer) een fout van een deurwaarder. Het hof overweegt hieromtrent het volgende. 3.7 Het EHRM kwam in de zaak Tsironis/Griekenland (EHRM 6 december 2001, nr. 44584/98) tot het oordeel dat sprake is van schending van artikel 6 EVRM, omdat Tsironis als gevolg van gebrekkige informatieverstrekking door de bevoegde autoriteiten niet op de hoogte was van het voornemen van de bank tot openbare verkoop van een aan Tsironis in eigendom toebehorende onroerende zaak. De in het Griekse Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering opgenomen bepalingen met betrekking tot de termijn waarbinnen iemand bezwaar kan maken tegen een dergelijke beslissing veronderstelt die wetenschap aan de zijde van Tsironis wél. Het EHRM oordeelt dat het door Tsironis na afloop van de termijn ingestelde beroep daarom ten onrechte niet in behandeling was genomen. Om die reden heeft het EHRM schending van artikel 6 EVRM aangenomen. 3.8 De zaak Plakatou/Griekenland (EHRM 11 januari 2001, nr. 38460/97) betrof een onteigening. Het EHRM oordeelde op basis van een drietal overwegingen dat sprake was van schending van artikel 6 EVRM. Eén van die overwegingen heeft betrekking op een fout van de gerechtsdeurwaarder, de overige twee zien op het ontbreken van een inhoudelijke beoordeling van het verzoekschrift van Plakatou in twee instanties en strijd met het beginsel van "equality of arms". Deze overwegingen tezamen leidden het EHRM tot het oordeel dat sprake was van schending van artikel 6 EVRM. 3.9 Het hof overweegt dat, daargelaten of de taak en de (rechts)positie van een gerechtsdeurwaarder in Griekenland dezelfde zijn als die van een gerechtsdeurwaarder in Nederland, de door het EHRM geconstateerde schending van artikel 6 EVRM in de eerste zaak (mede) is gebaseerd op een bepaling in de Griekse wet en in de tweede zaak niet op het enkele feit dat de deurwaarder een fout had gemaakt, zodat die uitspraken reeds om die reden niet te vergelijken zijn met deze zaak. Het hof voegt daaraan toe dat artikel 6 EVRM niet een recht op hoger beroep toekent en dat niet kan worden gezegd dat Heilbron door de wijze waarop de toegang tot de (appel)rechter in de Nederlandse wet is geregeld, is afgehouden van de rechter dan wel verstoken is geweest van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM." 3.4 Het middel betoogt in onderdeel 1, naar de kern genomen, het volgende. Het hof heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van het bepaalde in art. 6 EVRM. Indien door een lidstaat hoger beroep is opengesteld, wordt de toegang tot de appelrechter door die bepaling gewaarborgd. Wanneer een ambtenaar die door een lidstaat exclusief is aangesteld om de voor de toegang tot de appelrechter vereiste betekening van de dagvaarding te verrichten een fout maakt waardoor die betekening niet tijdig plaatsvindt, mag die niet tijdige betekening niet ten gevolge hebben dat de appellant wegens overschrijding van de appeltermijn niet-ontvankelijk wordt verklaard. Indien in dat geval de betekening binnen bekwame tijd, maar in elk geval niet later dan veertien dagen na het verstrijken van de appeltermijn is verricht, dient de rechter het hoger beroep als tijdig ingesteld aan te merken. Nu de appeldagvaarding in het onderhavige geval binnen veertien dagen na het verstrijken van de appeltermijn is uitgebracht, had het hof Heilbron dan ook niet niet-ontvankelijk mogen verklaren. 3.5.1 Bij de beoordeling hiervan moet het volgende worden vooropgesteld. De gerechtsdeurwaarder, die ingevolge art. 4 van de Gerechtsdeurwaarderswet (Gdw) bij koninklijk besluit wordt benoemd, is, zoals volgt uit art. 2 van die wet, een openbaar ambtenaar en bestuursorgaan in de zin van art. 1:1 van de Algemene wet bestuursrecht. De deurwaarder is krachtens art. 2, lid 1, onder a, Gdw belast met het doen van dagvaardingen. Hij ontleent zijn bevoegdheid daartoe dus rechtstreeks aan de wet en verricht die werkzaamheid - een ambtshandeling als bedoeld in lid 2 van art. 2 - dan ook in zijn genoemde hoedanigheid van openbaar ambtenaar en bestuursorgaan. Hieraan doet niet af dat de deurwaarder slechts tot het verrichten van die ambtshandeling overgaat indien hij daartoe van de partij die met de dagvaarding een procedure wenst in te leiden, opdracht ontvangt. Die opdracht is immers weliswaar een voorwaarde voor het verrichten van de ambtshandeling maar niet de grondslag ervan, want die is gelegen in de wet. 3.5.2 De hier beschreven, rechtstreeks op de wet berustende positie van de deurwaarder als bestuursorgaan brengt evenwel niet mee dat hij bij het uitbrengen van dagvaardingen en andere in opdracht van partijen verrichte ambtshandelingen, moet worden beschouwd als orgaan van de Staat. De Hoge Raad: verwerpt het beroep; veroordeelt Heilbron in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Rensa begroot op € 371,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris. Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren O. de Savornin Lohman, A.M.J. van Buchem-Spapens, J.C. van Oven en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 24 april 2009.