Rechtspraak Hoge Raad 2009-10-06
ECLI:NL:HR:2009:BI7084
Strafrecht
6 oktober 2009 Strafkamer Nr. 07/12707 Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 29 juni 2007, nummer 23/003899-06, in de strafzaak tegen: [Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985, wonende te [woonplaats]. 1. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. D.E. Wiersum, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 2.1. De middelen komen op tegen het oordeel van het Hof over het gebruik in de onderhavige zaak van een zogenoemde lokauto door de politie. Zij lenen zich voor gezamenlijke bespreking. 2.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat: "hij op 10 maart 2006 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een personenauto, Fiat Punto, heeft weggenomen enig goed, toebehorende aan Regiopolitie Amsterdam/Amstelland, waarbij verdachte het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door met een steen een raam van die auto in te slaan." 2.3. De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen: a. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van [verbalisant 1]: "Ik ben namens de benadeelde, Regiopolitie Amsterdam-Amstelland, gerechtigd tot het doen van aangifte. Ik doe hierbij aangifte van diefstal door middel van braak. Op 10 maart 2006 heb ik de lokauto, een personenauto, Fiat Punto, geparkeerd op de Plantage Muidergracht ter hoogte van perceel 14 te Amsterdam. Ik heb de auto onbeschadigd en afgesloten geparkeerd achter gelaten. In de auto lagen diverse goederen. In de auto was ook een navigatiesysteem van het merk Tom Tom aanwezig. Op 10 maart 2006 kreeg ik bericht van een collega met de mededeling dat de auto was opengebroken. Bij de auto aangekomen zag ik dat het raampje aan de bestuurderszijde ingeslagen was. De zag dat er een steen op de bestuurdersstoel lag. Na onderzoek in de auto zag ik dat (het hof begrijpt op grond van het onder 4. genoemde bewijsmiddel: een "dummy van") het navigatiesysteem van het merk Tom Tom uit de auto gestolen was. Ik heb aan niemand het recht of toestemming gegeven om de auto open te breken en het navigatiesysteem weg te nemen." b. een proces-verbaal van politie, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte: "Ik heb zojuist een navigatie uit een auto gestolen. Met een steen had ik de ruit van de auto ingeslagen." c. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 1], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten dan wel een van hen: "Op 10 maart 2006 parkeerde ik, tweede verbalisant, een geprepareerde lokauto van het merk Fiat Punto, kleur grijs, op de Plantage Muidergracht te Amsterdam ter hoogte van perceel 14. Wij verbalisanten zagen een manspersoonaan komen rijden op een rode Peugeot. Ik, eerste verbalisant, zag dat de man een straatklinker in zijn handen vasthield. Ik, eerste verbalisant, zag dat de man de straatklinker achter de lokauto neergooide. Ik, eerste verbalisant, zag dat de man naar de achterzijde van de auto liep en daar de eerder genoemde neergegooide straatklinker tegen het raam van de lokauto aan gooide. Wij, verbalisanten, zagen dat de man de steen weer oppakte en nogmaals met zeer grote kracht de steen tegen het raam van de lokauto gooide. Wij, verbalisanten, zagen en hoorden dat het raam aan gruzelementen ging en dat het glas in het rond vloog. Op dat moment was het 10 maart 2006. Ik, eerste verbalisant, zag dat de man met zijn bovenlichaam door het stuk geslagen raam de auto inging en een Tom Tom navigatie systeem weg nam. De achtervolging werd overgenomen door collega's. Vervolgens hoorden wij dat de man was aangehouden. Later bleek dat de aangehouden verdachte op gaf te zijn genaamd: [verdachte]." d. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar [verbalisant 3], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant: "Op 10 maart 2006 heb ik, verbalisant, bij [verdachte] in beslag genomen: Navigatiesysteem, "dummy", merk Tom Tom." 2.4. De bestreden uitspraak houdt met betrekking tot ter terechtzitting in hoger beroep van 15 juni 2007 gevoerde verweren het volgende in: "De raadsman heeft bepleit dat het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren. Hij heeft daartoe onder het overleggen van pleitnotities aangevoerd dat de inzet van een zogenaamde lokauto onrechtmatig is. Deze stelling heeft de raadsman gegrond op de volgende pijlers. 1. Het plaatsen van een lokauto is steeds onrechtmatig omdat de politie de bevoegdheid daartoe mist. 2. Het gebruik van een lokauto is onrechtmatig in het zich voordoende geval waarin er geen verdachte bekend is. 3. In het onderhavige geval is het gebruik van een lokauto niet proportioneel. 4. Bij de verdachte was geen generiek opzet. De hiervoor onder 2. tot en met 4. genoemde pijlers, bezien in onderling verband en samenhang, nopen tot de conclusie dat de verdachte ten gevolge van de inzet van de lokauto een delict heeft gepleegd, waarop zijn opzet niet reeds tevoren was gericht. Subsidiair heeft de raadsman compensatie in de vorm van strafmatiging bepleit op de voet van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, omdat het bevestigen van valse kentekenplaten op de lokauto door de politie een verzuim oplevert in de zin van die bepaling. Op grond van de stukken in het dossier en hetgeen is verhandeld ter terechtzitting in hoger beroep is naar het oordeel van het hof de volgende gang van zaken aannemelijk geworden. Op 10 maart 2006 te 20.00 uur is door de politie op de Plantage Muidergracht te Amsterdam een personenauto geplaatst. De politie heeft die auto voorzien van niet voor die auto afgegeven, buitenlandse kentekenplaten. In deze afgesloten auto waren door de politie onder meer een mobiele telefoon en een dummy van een navigatiesysteem neergelegd c.q. aangebracht. Deze voorwerpen waren van buiten die auto voor passanten zichtbaar. Tegenover deze auto is door de politie een observatiepost geplaatst en bemand. Ongeveer twintig minuten nadat deze auto ter plaatse was geparkeerd, is door de verdachte een ruit van de auto vernield en heeft hij het navigatiesysteem weggenomen. De verdachte is terstond aangehouden. De politie is tot de inzet van deze auto overgegaan met het oog op het grote aantal gepleegde inbraken uit auto's op de Plantage Muidergracht (en naar het hof aanneemt: ook de directe omgeving van die gracht). Als doel van deze actie is in het proces-verbaal van relaas vermeld: het verminderen van voertuigcriminaliteit. De officier van justitie heeft aan de politie voor de uitvoering van deze actie toestemming verleend. Het hof zal in navolging van de politie de term lokauto bezigen. Gegeven de veelheid van gepleegde autokraken op en nabij de plaats waar de lokauto door de politie is geplaatst en het vorenweergegeven doel van de inzet van de lokauto, moet worden aangenomen dat de politie de aanhouding op heterdaad van een autokraker heeft beoogd. Gelet op wat de ervaring leert met betrekking tot autokrakers -in de regel gaat het om lieden die dit soort van feiten bij herhaling plegen- en met betrekking tot autokraken -in de regel gaat het om ergerlijke misdrijven waarvan de daders slechts moeizaam kunnen worden geïdentificeerd-, getuigt de inzet van de lokauto van een zekere creativiteit in de opsporing. Immers, degene die overeenkomstig een daartoe genomen besluit de lokauto kraakt, laadt niet slechts de verdenking op zich -onder het toeziend oog van de politie- een misdrijf te hebben begaan, maar laadt daardoor tevens de verdenking op zich dat hij zich daaraan eerder heeft bezondigd. Aldus wordt de inzet van de lokauto gelegitimeerd door in elk geval het belang dat bestaat bij de zeer grote pakkans van een autokraker, van wie in redelijkheid mag worden aangenomen dat hij zich niet voor het eerst op of nabij die locatie aan een autokraak schuldig maakt. Gegeven de aan de politie opgedragen taken -de opsporing van strafbare feiten als ook de aan artikel 2 van de Politiewet 1993 te ontlenen taakstelling- valt niet in te zien dat de politie met de inzet van de lokauto in het onderhavige geval aan een rechtsregel is voorbij gegaan. De middelen kunnen voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. 4. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Gelet op de aan de verdachte opgelegde taakstraf van tachtig uren en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan. De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 6 oktober 2009.