Rechtspraak Hoge Raad 2010-10-01
ECLI:NL:HR:2010:BM7808
Civiel recht
1 oktober 2010 Eerste Kamer 09/00418 DV/EE Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens, t e g e n [Verweerster], gevestigd te [vestigingsplaats], VERWEERSTER in cassatie, advocaten: mr. R.S. Meijer en mr. B.T.M. van der Wiel. Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerster]. Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken: a. het vonnis in de zaak 155932 CV EXPL 05-3463 van de kantonrechter te Venlo van 25 oktober 2006, b. het arrest in de zaak HD 103.004.652 van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 28 oktober 2008. Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht. Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. [Verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor [verweerster] mede door mr. P.A. Fruytier, advocaat bij de Hoge Raad. De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot vernietiging van het bestreden arrest. 3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. (i) [Verweerster] exploiteert een tuinbouwloon- en grondontsmettingsbedrijf. [Eiser] is op 5 september 1983 bij [verweerster] in dienst getreden in de functie van trekkerchauffeur en allround medewerker. (ii) Op 22 november 2000 is [eiser] in de uitoefening van zijn werkzaamheden met zijn arm bekneld geraakt tussen het doek van de versnipperaar en de rol waarmee het op dit doek aanwezige paprikaloof de versnipperaar werd ingeleid. Amputatie van zijn arm net boven de elleboog bleek onvermijdelijk. Als gevolg van dit ongeval is [eiser] blijvend invalide geraakt. (iii) [Verweerster] heeft aansprakelijkheid erkend voor de gevolgen van het ongeval. (iv) [Verweerster] is bij Aegon Schadeverzekering N.V. en Fortis Corporate Insurance N.V. verzekerd tegen het risico van wettelijke aansprakelijkheid. Daarnaast heeft zij, onverplicht, ten behoeve van haar werknemers een ongevallenverzekering afgesloten bij AMEV N.V., die de werknemers aanspraak geeft op een uitkering indien sprake is van blijvende invaliditeit als gevolg van een ongeval. Dit geldt zowel voor ongevallen op het werk als voor ongevallen in de privésfeer. De premie voor deze ongevallenverzekering is betaald door [verweerster]. (v) [Eiser] heeft aanspraak gemaakt op een uitkering uit hoofde van deze ongevallenverzekering. De medisch adviseur van AMEV heeft bij [eiser] een blijvend functieverlies van de rechterarm vastgesteld van 95%. Uit de verzekeringsvoorwaarden volgt dat bij volledig blijvend functieverlies van een arm 75% van het verzekerde bedrag wordt uitgekeerd. Het verzekerd bedrag is bepaald op drie maal het jaarsalaris. De ongevallenverzekering heeft 95% van 75% van drie maal het jaarsalaris uitgekeerd, zijnde een bedrag van € 54.076,54 bruto (€ 45.880,61 netto). Dit bedrag is aan [eiser] uitgekeerd. Daarnaast heeft [eiser] een bedrag van € 2.619,38 netto aan rente ontvangen. (vi) De aansprakelijkheidsverzekeraars erkennen aansprakelijkheid van [verweerster], maar stellen zich op het standpunt dat de door [eiser] ontvangen uitkering uit de ongevallenverzekering op de voet van art. 6:100 BW op het uit te keren bedrag in mindering dient te worden gebracht. 3.2 [Eiser] vordert in dit geding een verklaring voor recht dat de uitkering uit de door [verweerster] ten behoeve van zijn werknemers collectief afgesloten ongevallenverzekering hem niet als voordeel mag worden ('verrekend'), dan wel, subsidiair, indien voordeelstoerekening wel toelaatbaar is, voordeelstoerekening in de gegeven omstandigheden niet redelijk is. De rechtbank heeft de vordering afgewezen. Het hof heeft dat vonnis bekrachtigd. Het overwoog daartoe dat de ongevallenverzekering dient te worden aangemerkt als een sommenverzekering (rov. 4.9.1-4.9.3) en dat het in dit geval redelijk is de door [eiser] daaruit ontvangen uitkering als voordeel te verrekenen met de door hem van de aansprakelijkheidassuradeuren te ontvangen schadevergoeding. Daarvoor achtte het hof redengevend dat, waar de beoordeling van de redelijkheid van verrekening in geval van uitkeringen uit hoofde van een sommenverzekering aan de rechter is overgelaten, in het onderhavige geval de ongevallenverzekering op eigen initiatief van [verweerster] en zonder dat zij daartoe jegens [eiser] verplicht was, is gesloten en zij de verschuldigde premies voor haar rekening heeft genomen. (Rov. 4.10.3-4.10.6.) Dat aldus alleen de aansprakelijkheidsverzekeraars van de verrekening profiteren, maakt dat niet anders, aldus het hof (rov. 4.10.7). De door [verweerster] betwiste stelling van [eiser] dat de werknemers individueel een financiële bijdrage leveren aan de premiebetaling doordat de premies in de lonen zijn doorberekend, achtte het hof onvoldoende feitelijk onderbouwd (rov. 4.10.8). 3.3 Onderdeel a keert zich tegen rov. 4.10.8 met de klacht, kort gezegd, dat het hof heeft miskend dat op [verweerster], als degene die zich heeft beroepen op voordeelstoerekening, de stelplicht en de bewijslast rust van de gestelde redelijkheid van de verrekening. Deze klacht kan bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. Het hof heeft de desbetreffende stelling gepasseerd niet omdat [eiser] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan, maar omdat de stelling, - die is aangevoerd als verweer tegen het door [verweerster] gehanteerde argument dat, anders dan [eiser] wil, verrekening wel redelijk is, omdat zij de premie van de ongevallenverzekering heeft gedragen - niet feitelijk onderbouwd als zij is, te vaag is om voorwerp van onderzoek te kunnen vormen. 3.4 De klachten van de onderdelen b en d kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. 3.5.1 Voor zover in onderdeel c wordt geklaagd (onder 29) dat het hof heeft miskend dat voordeelstoerekening ook een gedeelte van het genoten voordeel kan betreffen, kan het niet tot cassatie leiden, aangezien een betoog van die aard door [eiser] in feitelijke aanleg niet naar voren is gebracht en daarvoor in cassatie geen plaats meer is. 3.5.2 De overige klachten van onderdeel c (onder 28) komen erop neer dat het hof (in rov. 4.10.6) zijn beslissing dat het aan [eiser] als voordeel toerekenen van de uitkering ingevolge de ongevallenverzekering redelijk is, ontoereikend heeft gemotiveerd in het licht van elf in het onderdeel opgesomde, door [eiser] in hoger beroep aangevoerde aspecten, respectievelijk omstandigheden. Dienaangaande wordt het volgende vooropgesteld. Heeft een zelfde gebeurtenis voor een benadeelde naast schade tevens voordeel opgeleverd, dan dient dit voordeel, ingevolge art. 6:100 BW, voor zover dit redelijk is, bij de vaststelling van de te vergoeden schade in rekening te worden gebracht. Blijkens de totstandkomingsgeschiedenis van dit voorschrift, als weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.2.3, is aan de rechter een ruime beoordelingsvrijheid gelaten om te beslissen of verrekening van voordeel in een concreet geval redelijk is. Met de invoering van art. 6:100 is geen breuk beoogd met het recht zoals dat gold onder het oude BW. Of het redelijk is een bij een benadeelde opgekomen voordeel dat hem is toegevallen als gevolg van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is, bij de vaststelling van de te vergoeden schade in rekening te brengen, vergt een oordeel dat verweven is met de waardering van de feitelijke omstandigheden van het geval, zodat het in cassatie slechts in beperkte mate kan worden onderzocht. Opgemerkt wordt nog dat in geval van schadevergoeding bij overlijden (art. 6:108 BW) een genoten voordeel als regel steeds in aanmerking zal moeten worden genomen, gelet op de in dat voorschrift besloten liggende behoeftigheidsmaatstaf. 3.5.3 Is sprake van letselschade en gaat het om een voordeel dat bestaat in een verzekeringsuitkering, dan is bij de toepassing van art. 6:100 het volgende in aanmerking te nemen: (a) Van verrekening zal in het algemeen alleen dan sprake kunnen zijn, indien de uitkering ertoe strekt dezelfde schade te vergoeden als die waarvoor de partij die zich op de voordeelstoerekening beroept, aansprakelijk is. Daarbij valt te bedenken dat de verzekering kan zijn aangegaan ter dekking van schadevormen die rechtens of in de praktijk niet voor (volledige) vergoeding in aanmerking komen, of ter aanvulling van bedragen die in voorkomend geval als schadevergoeding, bijvoorbeeld ter zake van smartengeld, aan de betrokkene kunnen worden toegekend. Mede om die reden dient de rechter terughoudend te zijn met (volledige) verrekening, indien bij de benadeelde (mede) sprake is van immateriële schade. De rechter dient voor iedere schadepost afzonderlijk te beoordelen of verrekening redelijk is (vgl. HR 17 december 1976, nr. De Hoge Raad: vernietigt het arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 28 oktober 2008; verwijst het geding naar het gerechtshof te Arnhem ter verdere behandeling en beslissing; veroordeelt [verweerster] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] begroot op € 480,16 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris. Dit arrest is gewezen door de vice-president D.H. Beukenhorst als voorzitter en de raadsheren E.J. Numann, A. Hammerstein, F.B. Bakels en C.A. Streefkerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 1 oktober 2010.