Rechtspraak Hoge Raad 2011-06-10
ECLI:NL:HR:2011:BQ7398
Bestuursrecht
nr. 10/02327 10 juni 2011 Arrest gewezen op het beroep in cassatie van X te Z, Oostenrijk (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 17 maart 2010, nr. 08/3602 WAO, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank te Amsterdam (nr. 07/650) betreffende een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: hetUWV) ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: de WAO). 1. Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Centrale Raad beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal klachten aangevoerd. Ingevolge artikel 87f, lid 1, van de WAO kan beroep in cassatie worden ingesteld tegen uitspraken van de Centrale Raad ter zake van schending of verkeerde toepassing van de artikelen 1, derde tot en met zevende lid, 2 tot en met 11, en 13, eerste lid, en de daarop berustende bepalingen. Het onderhavige cassatieberoep is echter niet ingesteld ter zake van schending of verkeerde toepassing van voormelde bepalingen. De klachten kunnen derhalve niet tot cassatie leiden. 3. Proceskosten De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris en R.J. Koopman, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2011.