Rechtspraak Hoge Raad 2012-05-22
ECLI:NL:HR:2012:BW6213
Strafrecht
22 mei 2012 Strafkamer S 09/03610 Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 6 augustus 2009, nummer 20/003810-08, in de strafzaak tegen: [Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981, wonende te [woonplaats]. 1. Geding in cassatie 1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. Th.J. Kelder, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. 1.2. De Hoge Raad heeft bij arrest van 7 februari 2012 (LJN BU6846) geoordeeld dat de klacht van het eerste middel dat het Hof in strijd met art. 341, vierde lid, Sv de bewezenverklaring uitsluitend heeft doen steunen op verklaringen van de verdachte niet tot cassatie kan leiden, de overige voorgestelde klachten bespreking behoeven en dat de Advocaat-Generaal alsnog in de gelegenheid behoort te worden gesteld zich daarover uit te laten. 1.3. De Advocaat-Generaal Machielse heeft bij aanvullende conclusie primair geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch en subsidiair tot vermindering van de opgelegde straf. 2.1. Het middel klaagt voorts onder meer dat het bewezenverklaarde "opzettelijk valselijk, geheel of ten dele in strijd met de waarheid" niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid en dat het Hof onvoldoende gemotiveerd een verweer strekkende tot vrijspraak wegens het ontbreken van opzet, heeft verworpen. 2.2.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat: "zij op 30 oktober 2007 in de gemeente Roermond ter terechtzitting van de Meervoudige Strafkamer bij de Arrondissementsrechtbank te Roermond als getuige in de zaak tegen [betrokkene 1], nadat zij in handen van de voorzitter op de bij de wet voorgeschreven wijze de belofte had afgelegd de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen, mondeling, persoonlijk, opzettelijk valselijk, geheel of ten dele in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven - heeft verklaard: Op zaterdag 2 juli 2005 had ik met de vriendin van de verdachte afgesproken om samen boodschappen te gaan doen voor het verjaardagsfeestje van de dochter van verdachte. Deze was 25 juni jarig geweest en dat zou op 2 juli gevierd worden. Ik was iets over tienen op de [a-straat] ten huize van verdachte, waar [medeverdachte] al was met de dochter van verdachte. Ik zag daar door een kier in de deur van de slaapkamer dat er iemand in bed lag, die door [medeverdachte] werd wakker gemaakt. Volgens mij was dat verdachte, maar ik heb hem alleen van opzij gezien. We hebben toen koffie gedronken en zijn boodschappen gaan doen en waren een half uur tot drie kwartier daarna weer terug op de [a-straat]. Toen was de verdachte inmiddels op en aangekleed. We zijn daar nog even gebleven en toen met z'n allen, [medeverdachte], verdachte, de dochter en ikzelf, naar Best vertrokken. Het feestje zou gehouden worden in Best bij Dippidoo. We zijn tussen half twaalf en kwart voor twaalf vertrokken en waren daar voor twaalven. Er waren daar ook nog andere kennissen en familieleden met kinderen, ongeveer twintig personen in totaal. Op uw vraag om de namen van die familieleden en kennissen te noemen, zeg ik u dat ik niet snap waarom dat nodig is. Het gaat toch om de tijdstippen? Omdat u mij nogmaals vraagt om de namen en u mij mededeelt dat ik verplicht ben om te antwoorden, kan ik u zeggen dat er verder aanwezig waren: - [betrokkene 8], wonende te [plaats B] aan de [a-straat 1] - [betrokkene 3], wonende te [plaats B] aan de [d-straat], nummer onbekend - [betrokkene 9] (fonetisch), wonende te [plaats B] aan de [e-straat], ik denk nummer [1] - [betrokkene 5], wonende te [plaats B], adres onbekend, maar ik kan er zo naar toe rijden. Het feestje werd betaald door [medeverdachte] en volgens mij zijn er toen ook foto's gemaakt. Ik weet zeker dat dit op 2 juli 2005 was, omdat ik op de dag tevoren, 1 juli 2005, de sleutels van mijn nieuwe huis in [plaats B] heb gekregen. Ik weet dat de dochter van verdachte op 25 juni jarig is: waarom het feestje een week later werd gevierd weet ik niet. Anderhalve week geleden heeft de vriendin van verdachte, [medeverdachte], met mij hierover gesproken." 2.2.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen: "1. Het proces-verbaal terechtzitting verdenking meineed van de rechtbank Roermond d.d. 30 oktober 2007 (pagina's 10 (drie) van het doorgenummerde proces-verbaal van politie Limburg-Noord, nummer PL2321/07-007159 [hierna te noemen PV Politie]), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte, afgelegd als getuige in de zaak tegen [betrokkene 1], nadat zij op de wijze bij de wet bepaald in handen van de voorzitter de belofte had afgelegd de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zeggen: Op zaterdag 2 juli 2005 had ik met de vriendin van verdachte afgesproken om samen boodschappen te gaan doen voor het verjaardagsfeestje van de dochter van verdachte. Deze was 25 juni jarig geweest en dat zou op 2 juli gevierd worden. Ik was iets over tienen op de [a-straat] ten huize van verdachte, waar [medeverdachte] al was met de dochter van verdachte. Ik zag daar door een kier in de deur van de slaapkamer dat er iemand in bed lag, die door [medeverdachte] werd wakker gemaakt. Volgens mij was dat verdachte, maar ik heb hem alleen van opzij gezien. We hebben toen koffie gedronken en zijn boodschappen gaan doen en waren een half uur tot drie kwartier daarna weer terug op de [a-straat]. Toen was de verdachte inmiddels op en aangekleed. We zijn daar nog even gebleven en toen met z'n allen, [medeverdachte], verdachte, de dochter en ikzelf, naar Best vertrokken. Het feestje zou gehouden worden in Best bij Dippidoo. We zijn tussen half twaalf en kwart voor twaalf vertrokken en waren daar voor twaalven. Er waren daar ook nog andere kennissen en familieleden met kinderen, ongeveer twintig personen in totaal. Op uw vraag om de namen van die familieleden en kennissen te noemen, zeg ik u dat ik niet snap waarom dat nodig is. Het gaat toch om de tijdstippen? Omdat u mij nogmaals vraagt om de namen en u mij mededeelt dat ik verplicht ben om te antwoorden, kan ik u zeggen dat er verder aanwezig waren: - [betrokkene 8], wonende te [plaats B] aan de [a-straat 1] - [betrokkene 3], wonende te [plaats B] aan de [d-straat], nummer onbekend - [betrokkene 9] (fonetisch), wonende te [plaats B] aan de [e-straat], ik denk nummer [1] - [betrokkene 5], wonende te [plaats B], adres onbekend, maar ik kan er zo naar toe rijden. Het feestje werd betaald door [medeverdachte] en volgens mij zijn er toen ook toto's gemaakt. Ik weet zeker dat dit op 2 juli 2005 was, omdat ik op de dag tevoren, 1 juli 2005, de sleutels van mijn nieuwe huis in [plaats B] heb gekregen. Ik weet dat de dochter van verdachte op 25 juni jarig is; waarom het feestje een week later werd gevierd weet ik niet. Anderhalve week geleden heeft de vriendin van verdachte, [medeverdachte], met mij hierover gesproken. 2. Het door mr. P. van Hilten, officier van justitie in het arrondissement Roermond, op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van aanhouding ter zake verdenking meineed d.d. 30 oktober 2007, (pagina 11 PV Politie), voor zover inhoudende, als relaas van de officier van justitie, zakelijk weergegeven: Op 30 oktober 2007 heb ik aangehouden [verdachte] als verdacht van het misdrijf omschreven in artikel 207 van het Wetboek van Strafrecht, gepleegd tijdens het onderzoek in de zaak van het Openbaar Ministerie tegen [betrokkene 1]. 3. De verklaring van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 23 juli 2009, voor zover inhoudende: Ter terechtzitting van de rechtbank in Roermond op 30 oktober 2007 heb ik in de zaak tegen mijn broer [betrokkene 1] als getuige de verklaring afgelegd zoals is opgenomen in de tenlastelegging. Deze verklaring houdt onder meer in dat [betrokkene 1] op 2 juli 2005 in de ochtend in zijn woning in [plaats B] was, vervolgens is meegegaan naar het verjaardagsfeest van zijn dochter in Best en dat hij die middag daar is gebleven. Omdat de rechter tot driemaal toe vroeg of ik het wel zeker wist, was ik er niet meer zeker van dat dat feestje op 2 juli 2005 was gehouden. Mijn schoonzus, [verdachte], heeft mij gevraagd of ik mee naar de terechtzitting van mijn broer ging om te verklaren. [Medeverdachte] heeft me gevraagd of ik nog wist wanneer het feestje van de dochter van [medeverdachte] en mijn broer [betrokkene 1] was geweest. Ik wist niet meer zeker wanneer het was. 4. Het door [verbalisant 1], hoofdagent van politie, en [verbalisant 2], brigadier van politie, op ambtseed opgemaakte proces verbaal van verhoor d.d. 31 oktober 2007, nummer PL2321/07-141653 (pagina's 18 (vier) PV Politie), voor zover inhoudende als verklaring van [verdachte], zakelijk weergegeven: [medeverdachte] heeft mij gevraagd om te getuigen in de rechtszaak tegen [betrokkene 1] dat het feestje op 2 juli was geweest. De Hoge Raad: vernietigt de bestreden uitspraak; wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan. Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 22 mei 2012. Hetgeen hiervoor is overwogen, brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, het tweede middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.