Rechtspraak Hoge Raad 2015-06-12
ECLI:NL:HR:2015:1600
Civiel recht
12 juni 2015 Eerste Kamer 14/02087 EE/TT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [eiser],wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: mr. R.K. van der Brugge, t e g e n de coöperatie COÖPERATIEVE RABOBANK EMMEN-COEVORDEN U.A.,gevestigd te Emmen, VERWEERSTER in cassatie, niet verschenen. Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en Rabobank. Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken: a. het vonnis in de zaak 360754/CV EXPL 12-4949 van de kantonrechter te Emmen van 10 april 2013; b. het arrest in de zaak 200.128.063/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 31 december 2013. Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht. Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Tegen Rabobank is verstek verleend. De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot vernietiging van het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, van 31 december 2013 en afdoening als onder 2.20 van de conclusie vermeld en voor het overige tot bekrachtiging van dat arrest. De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 25 maart 2015 op die conclusie gereageerd. 3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. (i) De broers [eiser] en [A] zijn erfgenamen van hun ouders, die op 10 september 2009 zijn vermoord. Tot de nog onverdeelde nalatenschap van de ouders behoort hun huis. [eiser] en [A] zijn het niet eens over de wijze van verkoop van dat huis. (ii) Rabobank heeft een vordering op [A]. Na verkregen toestemming heeft Rabobank conservatoir beslag gelegd op het huis. Het beslagexploit vermeldt onder meer: “Het beslag geldt voor het aandeel dat voornoemde [A] heeft op voormelde onroerende zaak, welke onroerende zaak in de betreffende onverdeelde nalatenschap valt” (iii) [eiser] heeft in kort geding opheffing van dit beslag gevorderd. De voorzieningenrechter heeft het beslag opgeheven. Rabobank is van dit vonnis in hoger beroep gegaan. In hoger beroep hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten en is de zaak geroyeerd. De vaststellingsovereenkomst vermeldt onder meer: “Over de eventuele schade voor [eiser] als gevolg van de handelwijze van de Rabobank, waaronder de kosten van [eiser] voor rechtsbijstand, kan op dit moment niet veel worden gezegd. Deze eventuele schade staat thans nog open”. 3.2.1 In deze procedure heeft [eiser] gevorderd dat Rabobank wordt veroordeeld tot betaling aan hem van een bedrag van € 12.478,44. Hij heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat het beslag onrechtmatig is gelegd en dat hij daardoor schade heeft geleden. Rabobank heeft de vordering bestreden. Zij heeft aangevoerd dat zij geen misbruik van procesrecht heeft gemaakt en dat [eiser] dus slechts recht heeft op vergoeding van proceskosten volgens het geliquideerde tarief. De kantonrechter heeft de vordering afgewezen. 3.2.2 [eiser] heeft in hoger beroep zijn eis gewijzigd en, zakelijk weergegeven, gevorderd (i) voor recht te verklaren dat Rabobank onrechtmatig beslag heeft gelegd, (ii) Rabobank te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 7.808,44, en (iii) Rabobank te veroordelen tot betaling van de volledige proceskosten van de procedure in eerste aanleg en appel. 3.2.3 Het hof heeft het vonnis van de kantonrechter vernietigd en, opnieuw rechtdoende, (i) voor recht verklaard dat Rabobank onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld door het hiervoor in 3.1 onder (i) bedoelde beslag te leggen, (ii) Rabobank veroordeeld tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 2.079,-- met rente, en (iii) Rabobank veroordeeld in de kosten van de procedure in appel, te berekenen volgens het liquidatietarief. Het meer of anders gevorderde is afgewezen. Het hof overwoog daartoe eerst dat Rabobank, doordat zij op onjuiste wijze beslag heeft gelegd, onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld en de daardoor veroorzaakte schade dient te vergoeden (rov. 6.2-6.4). Vervolgens overwoog het hof: “6.5 In appel vordert [eiser] nog slechts de integrale vergoeding van de proceskosten, gemoeid met de procedure om het beslag opgeheven te krijgen en van deze procedure, strekkende tot het verkrijgen van die vergoeding. 6.6 Het hof is van oordeel dat gelet op het onrechtmatig gelegde beslag, [eiser] aanspraak heeft op vergoeding van zijn proceskosten. In de kort gedingprocedure bij de voorzieningenrechter in Zwolle is door de voorzieningenrechter te zijnen gunste een proceskostenveroordeling uitgesproken, berekend naar het liquidatietarief. Tegen deze proceskostenveroordeling heeft [eiser] geen (incidenteel) hoger beroep aangetekend. Daarop stuit zijn vordering om ook voor die eerste aanleg zijn advocaatkosten integraal vergoed te krijgen af. 6.7 Ten aanzien van de appelprocedure tegen dat vonnis die in een schikking is geëindigd, geldt dat de kosten van die procedure (zie paragraaf 5 van het proces-verbaal van 28 juni 2012) nadrukkelijk buiten de bereikte schikking zijn gelaten. Het hof is van oordeel dat [eiser] hiervoor een vergoeding toekomt, doch dat die berekend dient te worden aan de hand van het toepasselijke liquidatietarief. Het hof overweegt daartoe dat er in een geval als hier aan de orde geen wettelijk (zoals artikel 50 Onteigeningswet) of jurisprudentieel toegekend recht bestaat op een integrale vergoeding van de nota's zoals die door de eigen rechtsbijstandverlener zijn verzonden. Het hof kan een dergelijke aanspraak ook niet afleiden uit het door [eiser] aangehaalde arrest van 8 juli 2011, ECLI:NL:HR:[2011:BQ1823]. [eiser] heeft gelijk dat het toepasselijke liquidatietarief evenmin dwingend is voorgeschreven en dat het hof daarvan kan afwijken. Het hof acht daartoe evenwel onvoldoende reden aanwezig. Er zijn geen aanwijzingen dat Rabobank opzettelijk op onjuiste wijze beslag heeft gelegd. De gemaakte fout is meer van technische aard en wel zodanig dat noch de voorzieningenrechter te Zwolle, noch de kantonrechter te Emmen deze precies hebben onderkend. Het hof is dan ook van oordeel dat ook in de appelprocedure van het kort geding het liquidatietarief dient te worden toegepast. Dat leidt ertoe dat daarvoor nog een proceskostenveroordeling aan [eiser] toekomt, voor wat betreft het salaris van de advocaat te begroten op 2 punten naar tarief II, te vermeerderen met het in rekening gebrachte griffierecht. 6.8 In de onderhavige procedure geldt voor het appel hetzelfde. Daar heeft [eiser] recht op 3 punten naar tarief I, en op het in rekening gebrachte griffierecht in hoger beroep. (…)” 3.3 Middel I keert zich tegen hetgeen het hof heeft overwogen in zijn rov. 6.5 en 6.6. Volgens het middel zijn deze overwegingen onbegrijpelijk omdat [eiser] schadevergoeding heeft gevorderd op de voet van art. 6:96 leden 1 en 2 BW en dus niet vergoeding van proceskosten op de voet van art. 241 Rv. De gevorderde schadevergoeding betreft de voor de procedure tot opheffing van het beslag gemaakte kosten van zijn advocaat, de in die procedure gemaakte reiskosten van [eiser] zelf, diens gederfde inkomsten en de kosten van aangetekend verzonden brieven. 3.4.1 In cassatie dient tot uitgangspunt dat Rabobank onrechtmatig tegenover [eiser] heeft gehandeld door het onderhavige beslag te leggen. Zij is dan ook in beginsel gehouden de daardoor veroorzaakte schade volledig te vergoeden (art. 6:162 lid 1 BW). Het middel miskent echter dat de wetgever op dit uitgangspunt een uitzondering heeft gemaakt in de art. 6:96 lid 3 en 241 Rv ten aanzien van verrichtingen waarvoor de in de art. 237-240 Rv bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten, zoals die ter voorbereiding van gedingstukken en ter instructie van de zaak. In zoverre kan de wederpartij geen schadevergoeding vorderen op de voet van art. 6:96 lid 2 BW, maar zijn de regels betreffende proceskosten exclusief van toepassing. Zie aldus de M.v.T. Inv. bij art. 57 lid 6 (oud) Rv, dat correspondeert met het huidige art. 241 Rv, waarin onder meer het volgende is opgemerkt (Parl. Gesch. Wijziging Rv. e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), p. 36): “dat het [artikel een] geval regelt van samenloop van de bepalingen betreffende proceskosten en die van artikel 6.1.9.2 lid 2 onder b en c Nieuw B.W. In de memorie van antwoord betreffende Boek 6 wordt bij dit artikel opgemerkt dat de kosten van lid 2 onder b en c niet mede de proceskosten omvatten. Dit behoeft echter verduidelijking, omdat beide groepen van kosten elkaar kunnen overlappen. Te denken valt met name aan de kosten van voorbereiding van de dagvaarding en andere gedingstukken en die van de instructie van de zaak. Zo het tot een proces komt, moeten deze kosten begrepen worden in de salarissen en verschotten en plegen zij in deze vorm in belangrijke mate te worden vergoed (…). Komt het echter niet tot een proces, dan zullen de kosten, voorzover zij redelijk zijn, krachtens artikel 6.1.9.1 lid 2 onder b en c voor vergoeding in aanmerking komen. De Hoge Raad: verwerpt het beroep; veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Rabobank begroot op nihil. Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, G. Snijders, M.V. Polak en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 12 juni 2015.