Rechtspraak Hoge Raad 2016-06-24
ECLI:NL:HR:2016:1271
Civiel recht
24 juni 2016 Eerste Kamer 14/04377 LZ/EE Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [eiseres] ,wonende te [woonplaats] , EISERES tot cassatie, advocaat: mr. M.E.M.G. Peletier, t e g e n 1. [verweerder 1] ,wonende te [woonplaats] , Israël, 2. [verweerder 2] ,wonende te [woonplaats] , VERWEERDERS in cassatie, advocaat: mr. M.E. Bruning. Eisers zal hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en verweerders gezamenlijk als [verweerders] en afzonderlijk als [verweerder 1] en [verweerder 2] . Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken: a. het vonnis in de zaak C/13/556493/KG ZA 13-1553 van de voorzieningenrechter te Amsterdam van 4 februari 2014; b. het arrest in de zaak 200.142.672/01 van het gerechtshof Amsterdam van 3 juni 2014. Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht. Tegen het arrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. [verweerders] hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten. De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping. 3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. i) [verweerders] (hierna ook afzonderlijk: [verweerder 1] respectievelijk [verweerder 2] ) zijn de zonen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2]. ii) Na het overlijden van [betrokkene 2] op 21 juli 1977 is [betrokkene 1] hertrouwd met [eiseres] . iii) [betrokkene 1] is overleden op 16 november 2001. iv) Blijkens zijn op 29 mei 2000 opgemaakte testament heeft [betrokkene 1] [eiseres] benoemd tot zijn enig erfgename. In zijn testament heeft [betrokkene 1] voorts bepaald dat, voor het geval zijn nakomelingen een beroep op hun legitieme portie doen, de vorderingen van zijn nakomelingen en de daarover verschuldigde rente, mede ter voldoening van zijn natuurlijke verbintenis tot verzorging en onderhoud van zijn echtgenote, eerst kunnen worden opgeëist indien zijn echtgenote overlijdt. v) [verweerder 1] is in 2004 met [eiseres] overeengekomen dat zij hem ter uitkering van zijn legitieme portie een bedrag van € 92.742,-- zou uitbetalen. Dit bedrag is uitgekeerd. vi) Nadien heeft [verweerder 1] ontdekt dat het saldo van een Zwitserse bankrekening niet bij de onderhandeling over de uitkering van zijn legitieme portie was betrokken. vii) In een daarop volgende gerechtelijke procedure tussen partijen zijn onder meer de (omvang van de) legitieme porties van [verweerder 1] en [verweerder 2] in de nalatenschap van hun vader vastgesteld. Tevens is de vordering van [verweerder 1] strekkende tot betaling van (het restant van) de aan hem toekomende legitieme portie uit hoofde van die nalatenschap afgewezen, op de grond dat deze vordering nog niet opeisbaar was, maar dat pas zou worden op de door [betrokkene 1] in zijn testament opgenomen momenten. viii) [eiseres] heeft de door haar bewoonde voormalige echtelijke woning in juni 2013 verkocht voor € 1.275.000,--. Hiervan is € 130.000,-- in depot gebleven bij de notaris. ix) Met verlof van de voorzieningenrechter te Amsterdam hebben [verweerders] in 2013 ten laste van [eiseres] onder de notaris conservatoir derdenbeslag doen leggen op het hiervoor in (viii) genoemde bedrag van € 130.000,--. x) Bij dagvaarding van 26 november 2013 hebben [verweerders] de hoofdzaak tegen [eiseres] aanhangig gemaakt. Kort gezegd vorderen [verweerders] daarbij [eiseres] te veroordelen tot uitkering van (het restant van) hun legitieme portie, althans tot het stellen van zekerheid daarvoor. 3.2.1 In het onderhavige kort geding vordert [eiseres] opheffing van het door [verweerders] onder de notaris gelegde derdenbeslag op de grond dat de vorderingen van [verweerders] ondeugdelijk zijn. De voorzieningenrechter heeft het conservatoire derdenbeslag opgeheven voor zover dit strekt tot zekerheid voor de vordering van [verweerder 1] , doch gehandhaafd voor zover dit strekt tot zekerheid voor de vordering van [verweerder 2] . 3.2.2 Het hof heeft het vonnis vernietigd voor zover daarbij het voor de vordering van [verweerder 1] gelegde beslag is opgeheven en alsnog de gevraagde voorziening tot opheffing van (dit onderdeel van) het beslag geweigerd en het vonnis voor het overige bekrachtigd. Het hof heeft daartoe onder meer het volgende overwogen: “3.5. Het gaat in dit kort geding hoofdzakelijk om de vraag in hoeverre [verweerder 1] dan wel [verweerder 2] hun vorderingen nu reeds kunnen innen bij [eiseres] , gelet op de clausule in het testament van de vader van [verweerders] dat deze vorderingen bij leven van [eiseres] niet opeisbaar zijn. (…) Het hof zal eerst de vraag bespreken in hoeverre bij een afweging van de wederzijdse belangen de eventuele niet-opeisbaarheid van de vorderingen tot opheffing van het beslag zou dienen te leiden. 3.6. Bij deze belangenafweging neemt het hof voorts de volgende omstandigheden in aanmerking: - [betrokkene 1] is in 2001 overleden; hij was in gemeenschap van goederen gehuwd met [eiseres] ; [eiseres] heeft krachtens het testament van [betrokkene 1] en huwelijksgoederenrecht de beschikking gekregen over de gehele nalatenschap (met een zuiver saldo van € 1.068.180,- zonder rekening te houden met banktegoed in Zwitserland), waaronder de woning aan de [a-straat] te Amsterdam; zij geniet een nabestaandenpensioen van [betrokkene 1]; - [verweerders] hebben (evenals hun zuster [betrokkene 3]) een vordering op [eiseres] gekregen ter grootte van hun legitieme portie; in het testament van [betrokkene 1] is bepaald dat deze vorderingen niet-opeisbaar zijn mede ter voldoening aan een natuurlijke verbintenis tot verzorging en onderhoud van [eiseres] ; - [eiseres] en [verweerder 1] zijn in 2004 overeengekomen dat diens legitieme portie (toen nog berekend op € 92.742,-) aan [verweerder 1] werd uitbetaald; [verweerder 2] heeft toen geen aanspraak gemaakt op directe uitbetaling van zijn legitieme portie; - [verweerders] hebben in 2006 ontdekt dat tot de nalatenschap een Zwitsers banktegoed van USD 243.206,- (€ 275.962) behoorde dat niet in de ouderlijke boedelverdeling was betrokken; [eiseres] heeft deze bate niet vrijwillig alsnog in de verdeling betrokken en heeft tot op heden het aandeel van [verweerders] in deze bate niet betaald; - [eiseres] heeft het huis aan de [a-straat] in juni 2013 verkocht voor een koopsom van € 1.275.000,-; op het huis rustte een hypotheek van € 150.000,-; - [eiseres] is thans 93 jaar en zij verblijft in een verzorgingstehuis. 3.7. Onder deze omstandigheden dient het belang van [verweerders] het verhaal voor hun vorderingen uit hoofde van de ouderlijke boedelverdeling zeker te stellen het zwaarst te wegen, ook indien deze vorderingen bij leven van [eiseres] nog niet opeisbaar zijn. Het belang van [eiseres] vrij over het beslagen bedrag van € 130.000,- te kunnen beschikken weegt daar niet tegen op, nu voldoende aannemelijk is geworden dat [eiseres] anderszins over voldoende middelen beschikt om gedurende haar resterende levensjaren in haar behoeften te voorzien. Daarbij komt dat [verweerders] hebben aangevoerd dat [eiseres] door schenkingen aan haar eigen kinderen over haar vermogen beschikt en dat zonder het beslag verhaal voor hun vorderingen gevaar loopt. 3.8. (…) Over de vraag of [verweerder 1] deze vordering kan opeisen voordat [eiseres] is overleden, zal in een bodemprocedure beslist dienen te worden. Ook indien dat niet het geval is, dient zijn belang bij dit beslag zwaarder te wegen dan het belang van [eiseres] bij opheffing daarvan. (…) 3.9. [eiseres] betoogt met grief I dat de vordering van [verweerder 2] op grond van art. 128 Overgangsrecht Nieuw BW summierlijk ondeugdelijk is, aangezien hij zijn legitieme portie niet vóór 16 november 2006 heeft opgeëist. De grief miskent dat het bepaalde in art. 128 Overgangsrecht Nieuw BW er wel toe kan leiden dat de in het oude recht aan de legitimaris van een vóór 1 januari 2003 opengevallen nalatenschap toegekende bevoegdheden vervallen als deze bevoegdheden niet tijdig worden uitgeoefend, maar niet dat de vordering ter grootte van de legitieme portie op de nalatenschap komt te vervallen. En voor deze vordering heeft [verweerder 2] beslag gelegd.” 3.3.1 Onderdeel 2.1 klaagt onder meer dat het hof heeft miskend dat conservatoir beslag voor een niet-opeisbare vordering niet mogelijk is. 3.3.2 Deze klacht faalt. Niet is uitgesloten dat conservatoir beslag kan strekken ter verzekering van een vordering die (nog) niet opeisbaar is (zie de passage uit de totstandkomingsgeschiedenis van art. 441 Rv die is geciteerd in de conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal onder 15 en vgl. De Hoge Raad: verwerpt het beroep; veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerders] begroot op € 390,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris. Dit arrest is gewezen door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, A.H.T. Heisterkamp, G. de Groot en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 24 juni 2016.