Rechtspraak Hoge Raad 2018-07-06
ECLI:NL:HR:2018:1104
Civiel recht
6 juli 2018 Eerste Kamer 17/04397 TT/EE Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: 1. [verzoeker 1] ,wonende te [woonplaats] , Verenigde Staten van Amerika, 2. [verzoeker 2] ,wonende te Curaçao, 3. [verzoeker 3] ,wonende te Curaçao, 4. [verzoeker 4] ,wonende te Curaçao, 5. [verzoeker 5] ,wonende te Curaçao, 6. [verzoeker 6] , wonende te Curaçao, 7. [verzoeker 7] , wonende te Curaçao, 8. [verzoeker 8] , wonende te Curaçao, 9. [verzoeker 9] , wonende te Curaçao, 10. [verzoeker 10] , wonende te Curaçao, VERZOEKERS tot cassatie, advocaat: mr. F.E. Vermeulen, t e g e n 1. de openbare rechtspersoon HET OPENBAAR MINISTERIE,zetelende te Curaçao, 2. de stichting FUNDASHON AKSHON SIVIL,gevestigd te Curaçao, 3. INTEGRATED UTILITY HOLDING N.V.,gevestigd te Curaçao, 4. CURAÇAO OIL N.V.,gevestigd te Curaçao, 5. REFINERIA DI KORSOU N.V., gevestigd te Curaçao, VERWEERDERS in cassatie, niet verschenen, e n [belanghebbende], wonende te Curaçao, BELANGHEBBENDE in cassatie, niet verschenen. Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoekers], het OM, FAS, Aqualectra, Curoil, RDK en de belanghebbende. Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar: a. de beschikkingen in de zaak EJ – 60654 – H103/13 van het gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 15 juli 2013, 16 februari 2016, 8 juli 2016, 20 juli 2016 en 1 september 2016 b. de beschikkingen in de zaken EJ 80219 - H273/16, EJ 80236 - H276/16 en EJ 80219 - H354/16 van het gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 20 december 2016 en 13 juni 2017. De beschikking van het hof van 13 juni 2017 is aan deze beschikking gehecht. Tegen de beschikking van het hof van 13 juni 2017 hebben [verzoekers] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. Het OM, FAS, Aqualectra, Curoil, RDK en de belanghebbende hebben geen verweerschriften ingediend. De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping van het cassatieberoep. De advocaat van [verzoekers] heeft op 13 april 2018 op die conclusie gereageerd. 3.1 Het gaat in deze zaak om het volgende. Naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van het OM, heeft het hof een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken bij (onder meer) Aqualectra en RdK. Bij de in cassatie bestreden beschikking heeft het hof, voor zover in cassatie van belang, vastgesteld dat sprake is geweest van wanbeleid van Aqualectra en van RdK in de periode van 10 oktober 2010 tot 29 september 2012, waarvoor (telkens) de onderscheiden organen van Aqualectra respectievelijk RdK, zoals in de beschikking vermeld, verantwoordelijk zijn. In cassatie is uitsluitend de vraag aan de orde of het hof aan zijn oordeel dat sprake is van wanbeleid en aan het aanwijzen van de daarvoor verantwoordelijke personen, (ook) feiten ten grondslag mocht leggen die hebben plaatsgevonden vóór 1 januari 2012, de datum van inwerkingtreding van de Curaçaose wettelijke regeling van het enquêterecht. 3.2 Met betrekking tot de zojuist vermelde vraag heeft het hof als volgt overwogen: “4.1.7 Zoals het Hof eerder heeft overwogen (Hof 29 juni 2012, ECLI:NL:OGHACMB:2012:BX0420, rov. 3.1 en 3.2, Hof 5 maart 2013, ECLI:NL:OGHACMB:2013:BZ4843, rov. 3.1 en Hof 15 juli 2013, ECL1:NL:OGHACMB:2013:3, rov. 5.3), geldt voor de enquêteregeling het overgangsrechtelijke regime van de onmiddellijke werking. De onmiddellijke werking van art. 2:271 BW brengt mee dat het Hof bij de inwerkingtreding van die bepaling onmiddellijk de daarin omschreven bevoegdheid heeft verkregen een onderzoek te bevelen. De bepaling houdt geen beperking in met betrekking tot de periode waarin de feiten zich moeten hebben voorgedaan om te kunnen worden onderzocht. Daarom kunnen feiten die zich hebben voorgedaan vóór de invoering van de enquêteregeling in beginsel (mede) ten grondslag worden gelegd aan de beslissing om een dergelijk onderzoek te bevelen en kan het onderzoek zich in beginsel (mede) uitstrekken tot de periode vóór de invoering van de enquêteregeling. Ook art. 2:282 lid 1 BW heeft onmiddellijke werking. Dit brengt mee dat het Hof bij de inwerkingtreding van die bepaling onmiddellijk de daarin omschreven bevoegdheid heeft verkregen vast te stellen dat uit een onderzoeksverslag blijkt dat sprake is geweest van wanbeleid. Ook deze bepaling houdt geen beperking in met betrekking tot de periode waarin de feiten zich moeten hebben voorgedaan om aanleiding te kunnen geven tot de vaststelling wanbeleid. Het Hof kan dus ook wanbeleid vaststellen op grond van feiten die zich vóór 1 januari 2012 hebben voorgedaan. Dit is niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en verschaft aan de wet ook geen terugwerkende kracht. 4.1.8 Indien het Hof wanbeleid vaststelt op grond van feiten die zich vóór 1 januari 2012 hebben voorgedaan en personen aanwijst die daarvoor verantwoordelijk zijn, kan het Hof in de enquêteprocedure echter niet op grond van uitsluitend die feiten ten nadele van die personen voorzieningen treffen als bedoeld in art. 282 lid 3 jo. 283 BW. Dat zou niet zozeer in strijd zijn met het rechtszekerheidsbeginsel als wel met een enquêterechtelijke variant van het in het strafrecht bekende legaliteitsbeginsel, dat meebrengt dat het treffen van dergelijke voorzieningen ten nadele van personen slechts mogelijk is uit kracht van een aan de feiten die tot de voorzieningen hebben geleid voorafgegane wettelijke grondslag. Het Hof ziet, zoals hierna zal blijken, in de onderhavige zaken overigens geen aanleiding om voorzieningen te treffen als bedoeld in art. 282 lid 3 jo. 283 BW.” 3.3 De klachten stellen dit oordeel van het hof vanuit verschillende invalshoeken ter discussie en strekken ertoe de hiervoor in 3.1, slotzin, vermelde vraag ontkennend te beantwoorden. Deze klachten, die zich lenen voor gezamenlijke behandeling, kunnen op grond van het navolgende niet tot cassatie leiden. 3.4.1 De regeling van het Curaçaose enquêterecht (art. 2:270-286 BWC) is op 1 januari 2012 in werking getreden als onderdeel van een wijziging van Boek 2 BWC (Publicatieblad 2011/66 en 69). Voordien bevatte de Curaçaose wet geen hiermee vergelijkbare regeling (vgl. de MvT bij de Landsverordening herziening Boek 2 BW, p. 33). 3.4.2 Art. 2 lid 1 Landsverordening overgangsrecht Nieuw Burgerlijk Wetboek van 23 oktober 2000 (Publicatieblad 2000/119) (hierna: Lvo Overgangsrecht NBW) geeft (mede) voor het Curaçaose BW de volgende hoofdregel van overgangsrecht: “Van het tijdstip van haar in werking treden af is de wet van toepassing, indien op dat tijdstip is voldaan aan de door haar voor het intreden van een rechtsgevolg gestelde vereisten, tenzij uit de volgende artikelen iets anders voortvloeit.” Deze Landsverordening is ook van toepassing op (wijzigingen van) Boek 2 BWC (vgl. art. XXIX Invoeringslandsverordening Boek 2 BW, Publicatieblad 2004/16, welk artikel overgangsbepalingen in verband met Boek 2 heeft ingevoegd in de Lvo Overgangswet NBW). De hiervoor in 3.4.1 vermelde wijziging van Boek 2 BWC bevat een bepaling over overgangsrecht (art. II), maar daarin is voor de bepalingen over het enquêterecht geen specifieke overgangsregeling getroffen. Dit betekent dat voor die bepalingen de hoofdregel van art. 2 lid 1 Lvo Overgangsrecht NBW geldt (onmiddellijke werking). Dat stemt overeen met hetgeen in de MvT bij de Landsverordening herziening Boek 2 BW, p. 40, is opgemerkt, inhoudende dat de algemene regel is dat de nieuwe bepalingen vanaf de dag van invoering onmiddellijke werking hebben, en dat alleen voor de in art. II genoemde bepalingen een bijzondere regel is opgenomen. 3.4.3 Art. 2 lid 1 Lvo Overgangsrecht NBW is voor zover hier van belang gelijkluidend aan het Nederlandse art. 68a Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek (hierna: Overgangswet NBW), dat voor de overgangsregeling in verband met de Boeken 3-10 BW onmiddellijke werking tot uitgangspunt neemt. De parlementaire geschiedenis van de Nederlandse overgangsregeling, die in zoverre ook kan worden betrokken op art. 2 lid 1 Lvo Overgangsrecht NBW, vermeldt over de inhoud van het begrip ‘onmiddellijke werking’ onder meer het volgende. Het beginsel van onmiddellijke werking houdt in dat in principe de wet vanaf haar inwerkingtreding ‘van toepassing wordt’, dat wil zeggen dat deze toepassing niet beperkt blijft tot hetgeen na het tijdstip van inwerkingtreding gebeurt en ontstaat (Parl. Gesch. Overgangsrecht (Inv. 3, 5 en 6), p. 36). Onmiddellijke werking van een regeling brengt aldus mee dat deze vanaf de inwerkingtreding nieuwe rechtsposities en rechtsverhoudingen schept en gehandhaafde rechtsposities en rechtsverhoudingen voor het vervolg beheerst. Onder onmiddellijke werking – en niet onder terugwerkende kracht – valt ook dat de nieuwe wet vanaf haar inwerkingtreding een ‘andere rechtswaarde’ verleent aan zogenoemde anterieure feiten (Parl. Gesch. Overgangsrecht (Inv. 3, 5 en 6), p. 11). Men mag niet reeds van terugwerkende kracht spreken indien de nieuwe wet een (nieuw) rechtsgevolg verbindt aan een feit dat voor haar inwerkingtreding is geschied en toen geen rechtsgevolg heeft gehad. Terugwerkende kracht is er alleen indien krachtens een nieuwe wet het rechtsgevolg van de nieuwe regeling zelf intreedt op een moment gelegen voor haar inwerkingtreding. (Parl. Gesch. Overgangsrecht (Inv. 3, 5 en 6), p. 12-13). 3.4.4 Uitgaande van het bovenstaande, brengt het verlenen van onmiddellijke werking aan de art. 2:282 en 2:283 BWC mee dat het daarin neergelegde rechtsgevolg (de bevoegdheid van het hof tot het vaststellen van wanbeleid, het aanwijzen van de daarvoor verantwoordelijke personen en het treffen van voorzieningen) mede kan berusten op feiten die zich voor de inwerkingtreding van die bepalingen hebben voorgedaan. De Hoge Raad: verwerpt het beroep; veroordeelt [verzoekers] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van het OM, FAS, Aqualectra, Curoil, RdK en de belanghebbende begroot op nihil. Deze beschikking is gegeven door de vice-president C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, M.V. Polak, T.H. Tanja-van den Broek en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer T.H. Tanja-van den Broek op 6 juli 2018.