ECLI:NL:HR:2018:1533
11 september 2018
Strafkamer
nr. S 16/02762
IV/SA
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 4 mei 2016, nummer 23/005811-13, in de strafzaak tegen:
[verdachte]
, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961.
1 Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd tot vermindering van de opgelegde straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2.1. Het middel klaagt dat de bewezenverklaring van het onder 6 tenlastegelegde niet uit de gebezigde bewijsvoering kan worden afgeleid.
2.2.1. Ten laste van de verdachte is onder 6 bewezenverklaard dat:
"hij in de periode van 01 juli 2011 tot en met 20 december 2012 in Nederland en België en Duitsland een RHIB ( [registratienummer] ), en tezamen en in vereniging met een ander in Spanje een Zeiljacht [A] (met registratienummer [registratienummer] ), voorhanden heeft gehad, althans van voornoemde schepen gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf."
2.2.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
"1. Een schriftelijk stuk, zijnde een vertaling uit het Spaans van een proces-verbaal van vrijwillige verklaring, d.d. 10 april 2013 (zaaksdossier E01, p. 88 e.v.).
Dit schriftelijk stuk houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van [betrokkene 1] :
Vraag: is het waar dat in het jaar 2011 uw onderneming een zeilschip, de ' [A] ' heeft verkocht?
Antwoord: ja
Vraag: wie was de persoon die voornoemd schip kocht?
Antwoord: [betrokkene 2] (het hof begrijpt: [betrokkene 2] )
(...)
Antwoord: in de maand juni kwamen zij het schip bekijken en zeiden (...) dat zij in juli de koop zouden sluiten, hetgeen op 19-07-2012 (het hof begrijpt: 2011) gebeurde.
Vraag: wie kwam [A] bekijken?
Antwoord: [betrokkene 2] en een individu die zich identificeerde als [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte] ).
Vraag: met welke personen had u contact met betrekking tot voornoemde koop?
Antwoord: met de twee eerder vermelde [betrokkene 2] en [verdachte] .
Vraag: hoe kwam de koop tot stand?
Antwoord: de eerder genoemde [betrokkene 2] en [verdachte] (...) kwamen naar Barcelona om contact op te nemen met mij en eenmaal hier kwamen zij enkele voorwaarden, een betaalwijze overeen, het inventaris werd gecontroleerd en vervolgens werd het koopcontract opgemaakt.
Vraag: voor welke prijs werd [A] verkocht?
Antwoord: 65.000 euro.
Vraag: hoe werd er betaald?
Antwoord: zij betaalden in verschillende termijnen. (...) dat de betaaldatums op de volgende manier werden uitgevoerd: op het moment van ondertekening van het contract betaalden zij 5.000 euro, daarna op de datums 4 augustus 9.000 euro, 11 augustus twee betalingen van 9.000 euro meer, op 15 augustus 7.000 euro meer, op 3 oktober 7.500 euro, op 11 november 6.000 euro, 18 november 1.500 euro en de laatste betaling op 31 januari 2012, 11.000 euro.
Vraag: wie voerde de betaling uit?
Antwoord: er kwamen stortingen via de bank aan waarop als afzender van voornoemde stortingen [betrokkene 3] , [betrokkene 4] en [betrokkene 5] stonden. Dat er twee betalingen waren die in contanten werden gedaan, waarbij de eerste betaling contant was, dat was de 5.000 en de tweede betaling in contanten was die van 11.000. Beide werden persoonlijk door [betrokkene 2] en [verdachte] gedaan.
2. Een geschrift, zijnde een afschrift van een bankrekeningafschrift (welke als bijlage 1 aan deze aanvulling is gehecht) met rekeningnummer [001] ten name van [betrokkene 2] , waaruit de volgende storting en betalingen in de periode van 1 januari 2011 tot 25 december 2011 blijken (document E01-087):
FECHA
DOCU.
CONCEPTO CONTABLE
CONTRAPARTIDA
DEBE
HABER
SALDO ACUM.
3.1. Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
3.2. Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van achttien maanden.
P
[001] [betrokkene 2] (het hof begrijpt: medeverdachte [betrokkene 2] )
19/07/11
000659 COBRO VENTA [A]
5700000000 CAJA
0,00
5.000,00
-5.000,00
04/08/11
000725 COBRO VENTA [A]
5720000003 LA CAIXA
0,00
9.000,00
-14.000,00
11/08/11
000751 COBRO
[betrokkene 5] ( [...]
5720000003 LA CAIXA
0,00
9.000,00
-23.000,00
11/08/11
000752 COBRO
[betrokkene 4]
5720000003 LA CAIXA
0,00
9.000,00
-32.000,00
15/08/11
000753 COBRO
[betrokkene 3] ( [...]
5720000003 LA CAIXA
0,00
7.000,00
-39.000,00
03/10/11
000761 COBRO [betrokkene 3] (BASTIA
5720000003 LA CAIXA
0,00
7.500,00
-46.500,00
11/11/11
001077 COBRO [A] -
[betrokkene 3]
5720000003 LA CAIXA
0,00
6.000,00
-52.500,00
18/11/11
001076 COBRO [A] -
[betrokkene 3]
5720000003 LA CAIXA
0,00
1.500,00
-54.000,00
Total Periodo
0,00
54.000,00
-54.000,00
Total General
0,00
54.000,00
-54.000,00
3. Een geschrift, zijnde vier afschriften van bankrekeningafschriften (welke als bijlage 2 t/m 5 aan deze aanvulling zijn gehecht) met rekeningnummer [002] ten name van [betrokkene 3] , waaruit de volgende betalingen blijken:
- 3 augustus 2011 betaald EUR 9.000,00 naar de bankrekening van [betrokkene 1] ;
- 12 augustus 2011 betaald EUR 7.000,00 naar de bankrekening van [betrokkene 1] ;
- 30 september 2011 betaald EUR 7.500,00 naar de bankrekening van [betrokkene 1] ;
- 17 november 2011 betaald EUR 1.500,00 naar de bankrekening van [betrokkene 1] .
4. Een geschrift, zijnde een afschrift van een stortingsbewijs ten bedrage van € 6.000,00 bij de 'La Caixa' bank in Spanje (welke als bijlage 6 aan deze aanvulling is gehecht).
5. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg op 26 november 2013.
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Via [betrokkene 2] ben ik met [betrokkene 1] (het hof begrijpt: [betrokkene 1] , hierna [betrokkene 1] ) in contact gekomen. [betrokkene 2] heeft ons geattendeerd op het zeilschip [A] (het hof begrijpt: het zeilschip [A] met registratienummer [registratienummer] , hierna: [A] ). Het zou goed kunnen dat de koopovereenkomst met betrekking tot [A] op 19 juli 2011 is ondertekend. Ik heb [A] voor een bedrag van € 65.000,00 gekocht van [betrokkene 1] . Van dit bedrag is € 49.000,00 per bank voldaan door [betrokkene 3] (het hof begrijpt: [betrokkene 3] , hierna: [betrokkene 3] ) of door aan hem gelieerden. De overige € 16.000,00 is contant betaald.
Ik heb het geld geleend van een niet nader te noemen persoon.
Ik heb toen besloten om de RHIB aan te schaffen (het hof begrijpt: de boot van het merk Blue Spirit, type RHIB 650 en voorzien van het registratienummer [registratienummer] , hierna: de RHIB).
U, voorzitter, houdt mij voor dat ik heb verklaard (...) dat ik toen de RHIB heb gekocht voor een bedrag van bijna € 37.000,00. Het klopt dat ik de RHIB heb gekocht van [betrokkene 6] en dat de RHIB bij aankoop op naam is gesteld van [betrokkene 2] .
6. Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer 30263682 van 15 februari 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren UMN17-105 en UMN17-113 (zaaksdossier E01, p. 157 e.v.)
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van [betrokkene 6] :
V.: Onder welke naam is de koper van de boot,
[verdachte] , bij u bekend?
A.: Hij noemde zich [verdachte] . (...) Op 25 november 2011 heeft hij 15.000 euro contant betaald. (...) Ik heb in Nederland maar 1 6.5 Blue Spirit verkocht en dat was aan [verdachte] .
7. Een geschrift, zijnde een afschrift van een factuur d.d. 25 november 2011 van [...] ten name van [betrokkene 2] ten bedrage van € 36.652,00 (welke als bijlage 7 aan deze aanvulling is gehecht).
8. De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
vermindert deze in die zin dat deze zestien maanden beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 september 2018.
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.