Rechtspraak Hoge Raad 2019-06-18
ECLI:NL:HR:2019:901
Strafrecht
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 17/03090 Datum 18 juni 2019 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 15 juni 2017, nummer 21/001201-16, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973, hierna: de verdachte. 1Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft D. Greven, advocaat te Borne, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk wordt verklaard. 2.1 Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden toegewezen. 2.2.1 Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat: “1 primair: hij op 20 december 2014 in de gemeente [plaats] met anderen, op de openbare weg, [a-straat] , openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [betrokkene 3] , welk geweld bestond uit - het met kracht op/tegen het hoofd/gezicht slaan of stompen en - het vastpakken en vasthouden van die [betrokkene 3] en - terwijl die [betrokkene 3] op de grond lag op/tegen het hoofd/gezicht en lichaam schoppen of trappen en slaan of stompen; 2: hij op of omstreeks 20 december 2014 in de gemeente [plaats] [betrokkene 3] (in de nabijheid van […] ) heeft mishandeld door die [betrokkene 3] met kracht tegen het hoofd/gezicht te slaan of te stompen.” 2.2.2 De Rechtbank heeft de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 2.460,89 en de schadevergoedingsmaatregel opgelegd voor hetzelfde bedrag. Daartoe heeft de Rechtbank het volgende overwogen: “9.1 De vordering van de benadeelde partij [betrokkene 3] heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 7.646,89, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Deze schade bestaat uit de volgende posten: - 1) beschadigde smartphone € 209,90 - 2) medische kosten: € 1.223,77 - 3) gederfde inkomsten: € 2.150,-- - 4) reiskosten: € 27,22 - 5) immateriële schade € 4.000,--. Ook heeft de benadeelde partij gevraagd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in zijn vordering ontvankelijk en is de vordering deels gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat de verdachte door het onder 1 primair bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan het slachtoffer. Verdachte is voor deze schade met de medeverdachten hoofdelijk aansprakelijk. De hiervoor onder 1, 2 en 4 opgevoerde schadeposten zijn voldoende onderbouwd en niet betwist. De rechtbank acht de post immateriële schade te hoog en zal deze naar redelijkheid en billijkheid vaststellen op een bedrag van € 1.000,--. De post ‘gederfde inkomsten’ acht de rechtbank in het geheel onvoldoende onderbouwd. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om zijn stellingen alsnog nader te onderbouwen leidt tot een onevenredige vertraging van de strafrechtelijke procedure, zodat de rechtbank de benadeelde partij ten aanzien van deze schadepost niet-ontvankelijk zal verklaren. De benadeelde partij kan zijn vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter. De rechtbank zal het gevorderde deels toewijzen tot een bedrag van € 2.460,89, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis. 9.2 De schadevergoedingsmaatregel De rechtbank zal hierbij de maatregel als bedoeld in art. 36f Sr opleggen, aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht mede aansprakelijk is voor de schade die door feit 1 primair is toegebracht.” 2.2.3 Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouwe van de verdachte ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij onder meer het volgende aangevoerd: “Materiële schade De opgevoerde schadeposten onder 1, 2 en 4 (de beschadigde smartphone, de medische kosten en de reiskosten) worden niet betwist. Post 3, gederfd inkomen van € 2.186,- wordt wel betwist. Enkel is bijgevoegd een mailtje van [betrokkene 5] inhoudende dat er schade zou zijn ontstaan door afwezigheid. Volgens [betrokkene 5] zouden de normaal gemaakte behandelingen 336 x 10,- zijn. Het is volstrekt onbekend hoe [betrokkene 5] hierbij komt, hoe komt hij bijvoorbeeld bij 336 behandelingen? De onderbouwing hiervan ontbreekt en de berekening is te ingewikkeld om op dit moment vast te stellen. Ik verzoek u daarom deze post niet-ontvankelijk te verklaren. Immateriële schade De benadeelde partij verzoekt een bedrag van € 4.000,- aan immateriële schadevergoeding. De rechtbank acht dit bedrag, evenals cliënt te hoog, en heeft een bedrag van € 1.000,- aan immateriële schade vastgesteld. Het is naar mijn oordeel te ingewikkeld om de immateriële schade vast te stellen, dit veroorzaakt een onevenredige belasting van het strafgeding. Wanneer u wat wilt opleggen verzoek ik u het bedrag aan immateriële schadevergoeding te beperken tot € 750,- en voor het overige de vordering niet- ontvankelijk te verklaren.” 2.2.4 Het Hof heeft de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 7.646,89 en de schadevergoedingsmaatregel opgelegd voor hetzelfde bedrag. Daartoe heeft het Hof het volgende overwogen: “Vordering van de benadeelde partij [betrokkene 3] De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 7.646,89. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 7.646,89. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen. Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen. Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.” 2.3.1 De Hoge Raad stelt het volgende voorop over de beoordeling van een middel dat klaagt over de toewijzing van de vordering tot schadevergoeding van een benadeelde partij, terwijl het middel niet expliciet klaagt over de schadevergoedingsmaatregel die voor hetzelfde schadebedrag is opgelegd. 2.3.2 In gevallen waarin een dergelijk middel steunt op de klacht dat de strafrechter als gevolg van processuele beperkingen die aan de beoordeling van de vordering van de benadeelde partij in de strafzaak zijn gesteld, de vordering niet had mogen toewijzen, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een dergelijke klacht geen behandeling in cassatie rechtvaardigt indien met betrekking tot hetzelfde schadebedrag de maatregel tot betaling aan de Staat als bedoeld in art. 36f Sr is opgelegd en deze maatregel in stand blijft. In dergelijke gevallen heeft de verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang bij behandeling van deze klacht in cassatie. Deze regel heeft bijvoorbeeld ertoe geleid dat een cassatieberoep waarin werd geklaagd over de toewijzing aan de benadeelde partij van niet door haar gevorderde wettelijke rente, door de Hoge Raad op de voet van art. 80a RO niet-ontvankelijk is verklaard nu het Hof tevens een schadevergoedingsmaatregel had opgelegd voor hetzelfde bedrag als de toegewezen vordering, en daarbij had bepaald dat het bedrag van deze betalingsverplichting werd vermeerderd met de wettelijke rente (zie HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3362). De Hoge Raad: - vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging en de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij; - wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan. Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma, V. van den Brink, A.L.J. van Strien en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 juni 2019.