Rechtspraak Hoge Raad 2020-02-04
ECLI:NL:HR:2020:187
Strafrecht
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 18/05558 Datum 4 februari 2020 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 21 december 2018, nummer 21/005765-17, in de strafzaak tegen [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996, hierna: de verdachte. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft N. van Schaik, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 2.1 Het cassatiemiddel klaagt dat het onder 1 en 2 bewezenverklaarde medeplegen niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid. 2.2.1 Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bevestigd, behalve wat betreft de strafmotivering. In dat vonnis is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat: “1. hij op 15 mei 2016 te Hengelo, gemeente Hengelo (O), ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning, perceel gelegen aan de [a-straat 1], weg te nemen geld en/of goed(eren) van verdachtes gading, toebehorende aan [betrokkene 1], en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door middel van braak, te weten door middel van het forceren van een kozijn/raam aan de achterzijde van genoemde woning, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 2. hij op 15 mei 2016 te Hengelo, gemeente Hengelo (O), tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning, perceel gelegen aan de [b-straat 1], heeft weggenomen meerdere sieraden, toebehorende aan [betrokkene 2], waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen sieraden onder hun bereik hebben gebracht door middel van inklimming, te weten door middel van door een (slaapkamer)raam van genoemde woning naar binnen te gaan.” 2.2.2 De bewijsvoering waarop deze bewezenverklaring steunt, is - voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - weergegeven in de conclusie van de advocaat‑generaal onder 5. Deze bewijsvoering houdt onder meer het volgende in: “In de telefoontaps werd [verdachte] één keer aangesproken met zijn naam [verdachte] en zeer regelmatig met zijn bijnaam [verdachte]. In de OVC-gesprekken noemde hij zichzelf [verdachte] of [verdachte] en werd hij ook [verdachte] genoemd.” 2.2.3 Het hof heeft, door het vonnis van de rechtbank in zoverre te bevestigen, ten aanzien van de bewezenverklaring het volgende overwogen: “Op basis van wat hierboven is weergegeven in onderlinge samenhang bezien, concludeert de rechtbank dat verdachte de betreffende avond aan de gesprekken in de auto heeft deelgenomen, ook aan de relevante hierboven genoemde gesprekken waarin zijn stem is herkend en dat hij dus samen met zijn medeverdachten in Hengelo was. Uit de hiervoor weergegeven OVC-gesprekken volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte en zijn mededaders op zoek zijn naar osso’s (woningen), oldies (oudere mensen) en over scroebies (schroevendraaiers) praten. Zij rijden rond door Hengelo en zij kijken naar geschikte woningen om hier vervolgens in te breken, dan wel een poging daartoe te doen. Welke rol speelde verdachte bij deze feiten? De verdediging heeft ten aanzien van beide feiten aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat sprake was van medeplegen, dan wel medeplichtigheid, zodat verdachte van beide feiten integraal dient te worden vrijgesproken. Uit het dossier kan niet worden opgemaakt dat verdachte bij de poging tot woninginbraak aan de [a-straat 1] op de uitkijk heeft gestaan, nu niemand daarover heeft verklaard en dit ook niet uit de OVC-gesprekken kan worden gedestilleerd. Ten aanzien van de inbraak aan de [b-straat 1] heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte zeer waarschijnlijk in de auto is achtergebleven ten tijde van de inbraak en hierbij dus niet betrokken was. Daarnaast blijkt volgens de verdediging onvoldoende dat hij op de uitkijk heeft gestaan, nu de woning waar werd ingebroken niet zichtbaar was vanuit de plek waar de auto stond en waarin verdachte mogelijk zou hebben gezeten. Voor medeplegen is vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen. De rechtbank kan bij de vorming van het oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Daarbij moet aan het zich niet distantiëren op zichzelf geen grote betekenis worden gegeven. Het gaat er immers om dat de verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan het delict. De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit. Maar de bijdrage kan ook zijn geleverd in de vorm van verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit. Ook is niet uitgesloten dat de bijdrage in hoofdzaak vóór het strafbare feit is geleverd. De rechtbank overweegt dat uit de hierboven aangehaalde OVC-gesprekken volgt dat er sprake is van een intensieve samenwerking tussen de verdachten. Op verschillende momenten vindt overleg plaats over hoe ze het beste ongezien kunnen blijven, welke route moet worden gereden en na de inbraak vindt overleg plaats over de buit en de waarde daarvan. Ook volgt uit de gesprekken dat steeds verschillende personen binnen zijn geweest. Medeverdachte [betrokkene 3] heeft verklaard dat er geen vast rollenpatroon was. Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat ook verdachte een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de gepleegde strafbare feiten. Het verweer van de raadsman dat verdachte geen rol kan hebben vervuld, nu de getuige slechts drie personen heeft gezien waarbij verdachte niet aan het signalement voldoet, slaagt niet. Uit de getuigenverklaring van [betrokkene 9] en de tijdstippen van de OVC-gesprekken waarin gesproken wordt over de confrontatie met deze getuige volgt dat dit plaatsvond voorafgaand aan de inbraak en de poging daartoe. Bovendien blijkt uit de hierna te noemen feiten en omstandigheden dat verdachte wel degelijk een rol heeft gehad in de voorbereiding en afhandeling van de strafbare feiten, hij op belangrijke momenten aanwezig was en zich niet heeft gedistantieerd. Zo heeft verdachte betaald voor de benzine waarmee de auto van Ede naar Hengelo is gereden. In de hierboven aangehaalde OVC-gesprekken die plaatsvinden na afloop van de poging tot woninginbraak aan de [a-straat 1] zegt [betrokkene 3] onder meer: “Ik zei tegen [verdachte]: kijk eens naar haar” en “Ik zit zelf te kijken met [verdachte]”. Ook vraagt [betrokkene 5]: “Heb je haar zien kijken [verdachte]?”. Uit deze passages volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte zicht heeft gehad op de bewoonster van deze woning en dat hij op de uitkijk stond. Verder volgt uit de OVC-gesprekken onder meer dat hij zich bemoeit met de te rijden route en dat hij het tasje heeft waar de buit kennelijk in wordt verzameld. Ook zegt verdachte dat de ‘scroebies’ moeten worden weggegooid en dat zilver ook geld is. Gelet op het voorgaande staat vast dat de verdachten tezamen op pad gingen met maar één doel, namelijk inbreken bij oude mensen. Verdachte wist ook dat dit de bedoeling was. Niemand distantieerde zich ervan of wilde zijn rol beperkt houden. Iedereen deelde mee in de buit en de rollen bij de betreffende inbraak waren inwisselbaar. De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 februari 2020.