Rechtspraak Hoge Raad 2021-01-26
ECLI:NL:HR:2021:110
Strafrecht
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 19/05373 Datum 26 januari 2021 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 20 november 2019, nummer 22/000364-18, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961, hierna: de verdachte. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.T. Poort, advocaat te Beverwijk, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De advocaat-generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het hof Den Haag, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan. 2.1 Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat het hof de zaak heeft behandeld op de terechtzitting in hoger beroep van 6 november 2019 terwijl op dat moment de belangen van de verdachte niet daadwerkelijk werden behartigd door de daartoe aangewezen raadsman. 2.2.1 Het hof heeft de verdachte wegens 1. belaging en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en 2. poging om een ander door het verschaffen van inlichtingen uit te lokken om een moord te begaan, meermalen gepleegd veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftien maanden en hem ter beschikking gesteld met verpleging van overheidswege. Het procesverloop in hoger beroep is weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 6. 2.2.2 Het hof heeft bij beslissing van 15 augustus 2019 verklaard dat wordt vermoed dat de geestvermogens van de verdachte gebrekkig ontwikkeld of ziekelijk gestoord zijn en dat hij ten gevolge daarvan niet in staat is zijn belangen behoorlijk te behartigen. Deze beslissing houdt onder meer het volgende in: “Het hof: Verklaart dat, gelet op het bepaalde in artikel 509a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, wordt vermoed dat de geestvermogens van de verdachte gebrekkig ontwikkeld of ziekelijk gestoord zijn, en dat hij ten gevolge daarvan niet in staat is zijn belangen behoorlijk te behartigen en verzoekt de voorzitter van het gerechtshof het bestuur van de Raad voor Rechtsbijstand een last tot aanwijzing van mr. J.B. Boone, advocaat te Wijk bij Duurstede, als raadsman aan de verdachte te geven; Bepaalt dat de verdachte niet opnieuw zijn raadsman terzijde kan schuiven of afstand kan doen van zijn recht op rechtsbijstand. De raadsman is bevoegd én gehouden op te treden, ook al geeft verdachte te kennen dat hij geen rechtsbijstand wenst of dat hij zich niet kan verenigen met de wijze waarop de raadsman aan die bijstand invulling geeft; Gelast de advocaat-generaal de inhoud van deze beslissing onverwijld aan de verdachte te betekenen en een afschrift van deze beslissing aan mr. J.B. Boone te doen komen.” 2.2.3 Het proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting in hoger beroep van 6 november 2019 houdt, voor zover hier van belang, het volgende in: “De voorzitter stelt de identiteit van de ter terechtzitting aanwezige verdachte vast op de wijze, bedoeld in artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, van het Wetboek van Strafvordering. (...) Als raadsman van de verdachte is - op grond van de beslissing ex artikel 509a van het Wetboek van Strafvordering - ter terechtzitting aanwezig mr. J.B. Boone, advocaat te Wijk bij Duurstede. (...) De voorzitter maakt melding van een aan het gerechtshof gerichte brief van de verdachte van 8 september 2019, in welke brief de verdachte aangeeft dat de samenwerking met mr. J.B. Boone is beëindigd. De voorzitter deelt mede dat het hof op 15 augustus 2019 een beslissing ex artikel 509a van het Wetboek van Strafvordering op naam van mr. J.B. Boone heeft afgegeven, zodat laatstgenoemde - in het geval dat de verdachte zich niet langer wenst te laten bijstaan door mr. Boone en hij zijn eigen verdediging wenst te voeren - als procesbewaker dient op te treden. De voorzitter merkt op dat mr. Boone zijn toga niet draagt en hij op de publieke tribune van de zittingszaal heeft plaatsgenomen. De verdachte legt op vragen van de voorzitter een verklaring af, inhoudende: (...) Daartoe in de gelegenheid gesteld door de voorzitter deelt de advocaat-generaal mede dat mr. J.B. Boone niet in de zittingszaal aanwezig is. Het hof onderbreekt daarop het onderzoek. Na hervatting van het onderzoek stelt de voorzitter vast dat mr. Boone inmiddels weer in de zittingszaal aanwezig is. (...) De verdachte legt op vragen van de voorzitter met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde een verklaring af, inhoudende: (...) De verdachte legt op vragen van de voorzitter en de jongste raadsheer met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde een verklaring af, inhoudende: (...) Daartoe in de gelegenheid gesteld door de voorzitter deelt mr. Boone mede dat hij de zittingszaal om 14:30 uur dient te verlaten. De voorzitter onderbreekt het onderzoek voor beraad. Na hervatting van het onderzoek verklaart de verdachte: Ik wil niets meer naar voren brengen. Ik zou in herhaling vallen. (...) Na hervatting van het onderzoek om 13:45 uur deelt de voorzitter mede dat - mocht mr. J.B. Boone de zitting vroegtijdig verlaten - zulks in het proces-verbaal zal worden opgenomen. Met betrekking tot zijn persoonlijke omstandigheden legt de verdachte een verklaring af, inhoudende: (...) Ik wil weg. Ik heb geen behoefte om het requisitoir van de advocaat-generaal aan te horen. Ik ben er helemaal klaar mee. De voorzitter vraagt de verdachte of hij op dit moment - gelet op de ontstane situatie - gebruik wil maken van zijn recht het laatst te spreken. De verdachte verklaart: Mijn laatste woord is het gedicht van Ida Gerhardt waar ik zojuist naar verwezen heb. Ik ben er zo klaar mee. (...) De verdachte verlaat de zittingszaal onder begeleiding van de parketpolitie. Mr. Boone verlaat eveneens de zittingszaal. De advocaat-generaal voert hierna het woord overeenkomstig zijn overgelegde en in het procesdossier gevoegde schriftelijke requisitoir en draagt de vordering voor. (...) De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede dat uitspraak zal worden gedaan ter openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 20 november 2019 te 13.30 uur.” 2.3 Bij de beoordeling van de klacht zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang: - artikel 509a lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) luidde ten tijde van de uitspraak van het hof: “In elken stand der zaak betreffende een verdachte die den leeftijd van achttien jaren bereikt heeft, zal de rechtbank of het gerechtshof, indien vermoed wordt dat de geestvermogens van de verdachte gebrekkig ontwikkeld of ziekelijk gestoord zijn, en dat hij ten gevolge daarvan niet in staat is zijne belangen behoorlijk te behartigen, zulks bij beslissing verklaren.” - met ingang van 1 januari 2020 luidt artikel 509a lid 1 Sv: “In elken stand der zaak betreffende een verdachte die den leeftijd van achttien jaren bereikt heeft, zal de rechtbank of het gerechtshof, indien vermoed wordt dat de verdachte een psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap heeft, en dat hij ten gevolge daarvan niet in staat is zijne belangen behoorlijk te behartigen, zulks bij beslissing verklaren.” - artikel 509c Sv: “Ten spoedigste na de beslissing bedoeld in artikel 509a, geeft de voorzitter van het gerecht het bestuur van de raad voor rechtsbijstand last tot aanwijzing van een raadsman aan de verdachte.” - artikel 509d lid 1 en lid 3 Sv: “1. Van het oogenblik af der beslissing, bij het eerste lid van artikel 509a bedoeld, en, behoudens herroeping, totdat de zaak door een in kracht van gewijsde gegaan arrest of vonnis is beëindigd, vinden de artikelen 14a, 490, derde lid, 493, 495a tot en met 497 en 503 overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de bepalingen aangaande ouders of voogd slechts overeenkomstig worden toegepast, indien de verdachte een curator heeft, en in dit geval in dier voege dat zij uitsluitend dezen betreffen. 3. De bevoegdheden, bij dit wetboek aan den verdachte toegekend, komen na de beslissing, bij het eerste lid van artikel 509a bedoeld, steeds mede toe aan den raadsman.” 2.4.1 Bij de beoordeling van het cassatiemiddel moet het volgende worden vooropgesteld. De Hoge Raad: - vernietigt de uitspraak van het hof; - wijst de zaak terug de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan. Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 januari 2021.