Rechtspraak Hoge Raad 2022-07-15
ECLI:NL:HR:2022:1112
Civiel recht
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN CIVIELE KAMER Nummer 21/02591 Datum 15 juli 2022 BESCHIKKING In de zaak van [verzoeker],wonende te [woonplaats], Turkije, VERZOEKER tot cassatie, hierna: [verzoeker], advocaat: S.M. Kingma, tegen CREDIT EUROPE BANK N.V.,gevestigd te Amsterdam, VERWEERSTER in cassatie, hierna: CEB, advocaat: R.L.M.M. Tan. Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar: de beschikkingen in de zaak C/13/657754/HA RK 18-380 van de rechtbank Amsterdam van 29 maart 2018 en 23 mei 2019; de beschikking in de zaak 200.261.894/01 van het gerechtshof Amsterdam van 13 april 2021. [verzoeker] heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld. De procesinleiding is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. CEB heeft verzocht het beroep te verwerpen. De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot vernietiging van de beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 13 april 2021 en tot verwijzing. De advocaat van CEB heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd. 2Uitgangspunten en feiten 2.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. (i) Tussen partijen heeft in ieder geval vanaf 1999 een meerjarige zakelijke relatie bestaan. In dit verband is [verzoeker], een zakenman met ervaring in de scheepvaartsector, op verzoek van CEB als aandeelhouder, bestuurder en/of adviseur betrokken geweest bij verschillende andere bedrijven. (ii) Na daarvan eerder adviseur te zijn geweest is [verzoeker] in 2005 bestuurder en enig aandeelhouder geworden van de vennootschap naar Turks recht MMZ A.S. (hierna: MMZ). CEB heeft op enig moment een geldlening aan MMZ verstrekt, onder meer ten behoeve van de aankoop van een staalfabriek. (iii) CEB heeft haar vordering uit hoofde van bovenbedoelde lening in 2010 verkocht en overgedragen aan een derde. Op zijn beurt heeft [verzoeker] zijn aandelen in MMZ in 2011 overgedragen aan vijf anderen. Hij heeft zijn functie als bestuurder neergelegd. (iv) [verzoeker] is voorts enig aandeelhouder geweest van vier vennootschappen naar Maltees recht. Deze hebben in 2005 vier zeeschepen gekocht van Palmali Shipping A.S. (hierna: Palmali), een vennootschap naar Turks recht die een rederij voert. CEB heeft hypothecaire leningen verstrekt ten behoeve van de aankoop van die schepen. (v) De zeeschepen zijn vervolgens door Palmali gehuurd en in haar bedrijf gebruikt. CEB heeft Palmali in 2008 verzocht de schepen terug te kopen. Dit is na verloop van tijd gebeurd. Na aanvankelijke weigering heeft [verzoeker] aan de verkoop en teruglevering meegewerkt. (vi) Op 24 maart 2010 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen enerzijds [verzoeker] en twee leden van de raad van commissarissen van CEB. Van dat gesprek heeft een van de commissarissen handgeschreven, in de Turkse taal gestelde, aantekeningen gemaakt. 2.2.1 [verzoeker] heeft in deze procedure bij de rechtbank een bevel tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor verzocht. Daaraan heeft [verzoeker] ten grondslag gelegd dat tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen waarbij CEB zich heeft verplicht aan hem kredieten van USD 42.500.000,-- te verstrekken voor de aankoop van twee schepen en vergoedingen van USD 75.000,-- en USD € 45.000,-- per maand te betalen tot het moment waarop hij inkomsten uit de exploitatie van de door hem te kopen schepen zou ontvangen. [verzoeker] heeft zich volgens zijn stellingen verplicht tot overdracht van de hiervoor in 2.1 onder (ii) en (iii) genoemde aandelen in MMZ en tot verkoop en teruglevering van de hiervoor in 2.1 onder (iv) en (v) genoemde zeeschepen. [verzoeker] stelt dat hij zijn verplichtingen uit de overeenkomst wel is nagekomen, en dat CEB haar verplichtingen niet is nagekomen, en dat hij daarom recht heeft op schadevergoeding van CEB. Met het voorlopig getuigenverhoor wil [verzoeker] de gestelde overeenkomst bewijzen. De rechtbank heeft het verzoek afgewezen. 2.2.2 Het hof heeft de beschikking van de rechtbank bekrachtigd. Daaraan heeft het hof het volgende ten grondslag gelegd. Voor toewijzing van een verzoek tot een voorlopig getuigenverhoor is op grond van art. 186, eerste lid, Rv in verbinding met art. 166, eerste lid, Rv allereerst vereist dat de verzoeker feiten heeft gesteld en te bewijzen heeft aangeboden die door de wederpartij zijn betwist en dat die feiten kunnen leiden tot de beslissing van een eventuele bodemzaak met betrekking tot de vordering die de verzoeker meent te hebben. In het nu voorliggende geval moet het gaan om feiten die kunnen leiden tot het bewijs van de totstandkoming van de door [verzoeker] gestelde overeenkomst tussen partijen, aangezien [verzoeker] aan de niet-nakoming daarvan door CEB een vordering tot schadevergoeding wil ontlenen. [verzoeker] beroept zich voor de totstandkoming van die overeenkomst in het bijzonder op de (hiervoor in 2.1 onder (vi) genoemde) bespreking op 24 maart 2010 en op de handgeschreven aantekeningen van deze bespreking. Van die aantekeningen is zowel een kopie van het origineel als een Engelstalige vertaling overgelegd. Deze laatste maakt melding van een eerste schip “to be performed with 15% equity between $ 15 - $ 17”, een tweede schip “with approximately $ 25 - 27,5 credit limit”, alsmede (verbeterd gelezen:) “MMZ to be transferred after this second credit is used”. Er staat verder, onder meer: “Once the first vessel is completed, the money owed to [verzoeker] will reduce from $ 75 thousand monthly to $ 45 thousand. After the second vessel is completed, monthly allowance will be cancelled out. (...) A cap will be set as for how long to pay $ 45 monthly.” (rov. 3.4) De bespreking op 24 maart 2010 waarop [verzoeker] zich beroept, de echtheid van de overgelegde aantekeningen van deze bespreking, en de juistheid van hetgeen daarin is vermeld, heeft CEB niet betwist. Die feiten behoeven dus niet te worden bewezen in een voorlopig getuigenverhoor. Wel betwist CEB de daaruit door [verzoeker] gemaakte gevolgtrekking dat tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen met een inhoud zoals hiervoor in 2.2.1 omschreven. Of de door [verzoeker] gestelde, onbetwiste, feiten de gevolgtrekking wettigen dat een zodanige overeenkomst tot stand is gekomen, is een vraag die door waardering en beoordeling van die feiten in het licht van de verdere omstandigheden van het geval moet worden beantwoord. Een voorlopig getuigenverhoor is voor een dergelijk doel niet bestemd. [verzoeker] heeft geen voldoende andere feiten gesteld die door CEB zijn betwist en die, al of niet in samenhang met de hiervoor genoemde feiten, het bewijs van de totstandkoming van de overeenkomst kunnen opleveren. [verzoeker] heeft weliswaar gesteld dat de bespreking de bevestiging was van mondelinge afspraken die eerder waren gemaakt, maar die afspraken, wat daarvan verder zij, hielden volgens hem niets anders in dan hetgeen over de bespreking is vastgelegd en laten de vraag onbeantwoord of tussen partijen een overeenkomst is tot stand gekomen zoals hiervoor in 2.2.1 vermeld. (rov. 3.5) Hetzelfde geldt met betrekking tot de uiteenzetting van [verzoeker] over de zakelijke verhoudingen tussen partijen in de loop van de tijd en hetgeen, volgens hem, tussen partijen is voorgevallen in verband met MMZ, de van Palmali gekochte zeeschepen en de verschillende geldleningen die CEB in dat kader heeft verstrekt. De daarin gestelde feiten, voor zover door CEB betwist, kunnen niet het bewijs van de gestelde overeenkomst opleveren en kunnen dus evenmin leiden tot de beslissing van een eventuele bodemzaak over de vordering die [verzoeker] aan die overeenkomst wil ontlenen. Het gaat bij die uiteenzetting hoogstens om omstandigheden die in een eventuele bodemzaak van belang zouden kunnen zijn bij de duiding van hetgeen partijen op 24 maart 2010 volgens de aantekeningen hebben besproken, niet om feiten waarin het bewijs van de door [verzoeker] aangenomen overeenkomst is of kan zijn gelegen. 3.1 Onderdeel 1 van het middel bevat de kernklacht dat het hof in rov. 3.3-3.7 een onjuiste maatstaf heeft aangelegd bij de beoordeling van het verzoek van [verzoeker] tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor, of zijn afwijzing van dat verzoek onvoldoende heeft gemotiveerd. 3.2.1 Bij het beoordelen van deze klacht dient op grond van vaste rechtspraak van de Hoge Raad het volgende (3.2.2-3.2.4) tot uitgangspunt. 3.2.2 Een voorlopig getuigenverhoor strekt onder meer ertoe belanghebbenden bij een eventueel naderhand bij de burgerlijke rechter aanhangig te maken geding de gelegenheid te bieden vooraf opheldering te verkrijgen omtrent de feiten, teneinde hen in staat te stellen hun positie beter te beoordelen, met name ook ten aanzien van de vraag tegen wie het geding moet worden aangespannen. 3.2.3 De verzoeker tot een voorlopig getuigenverhoor dient ingevolge art. 187 lid 3, aanhef en onder a en b, Rv in zijn verzoekschrift de aard en het beloop van de vordering te vermelden, alsmede de feiten of rechten die hij wil bewijzen. Dit dient hij te doen op zodanige wijze dat voor de rechter die op het verzoek moet beslissen, voor de rechter voor wie het verhoor zal worden gehouden, alsmede voor de wederpartij voldoende duidelijk is op welk feitelijk gebeuren het verhoor betrekking zal hebben. Niet is vereist dat de verzoeker al in het verzoekschrift nauwkeurig aangeeft welke feiten en stellingen hij aan zijn voorgenomen vordering ten grondslag wil leggen en omtrent welke feiten hij getuigen wil doen horen. Evenmin hoeft de verzoeker zich uit te laten over de precieze aard van de in te stellen vordering en, in voorkomend geval, de omvang van de geleden schade. Een voorlopig getuigenverhoor kan juist mede ertoe dienen degene die daarom verzoekt, in staat te stellen te beoordelen of het zinvol is een voorgenomen vordering in te stellen. In de procedure tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor ligt dan ook niet de toewijsbaarheid van de in het verzoekschrift aangeduide vordering ter toetsing voor. 3.2.4 Een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor kan, als het overigens aan de eisen voor toewijzing daarvan voldoet, worden afgewezen op de grond dat van de bevoegdheid tot het bezigen van dit middel misbruik wordt gemaakt (art. 3:13 BW), op de grond dat het verzoek strijdig is met een goede procesorde, en op de grond dat het verzoek afstuit op een ander, door de rechter zwaarwichtig geoordeeld bezwaar. Voorts bestaat geen bevoegdheid tot het verzoeken van een voorlopig getuigenverhoor indien de verzoeker bij toewijzing daarvan onvoldoende belang heeft (art. 3:303 BW). 3.3 3.4 De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO). De Hoge Raad: vernietigt de beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 13 april 2021; verwijst het geding naar het gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing; veroordeelt CEB in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verzoeker] begroot op € 418,07 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien CEB deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan. Deze beschikking is gegeven door de raadsheren C.E. du Perron, als voorzitter, C.H. Sieburgh en S.J. Schaafsma, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op 15 juli 2022. Gerechtshof Amsterdam 13 april 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1025. Zie HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3250, rov. 4.2.1-4.2.3 met verdere verwijzingen. HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3250, rov. 4.2.2.
Toegepaste wetsartikelen
- Artikel 187 — De wijze van procederen voor de rechtbanken, de hoven en de Hoge Raad
- Artikel 186 — De wijze van procederen voor de rechtbanken, de hoven en de Hoge Raad
- Artikel 166 — De wijze van procederen voor de rechtbanken, de hoven en de Hoge Raad
- Artikel 13 — Burgerlijk Wetboek Boek 3
- Artikel 303 — Burgerlijk Wetboek Boek 3