Rechtspraak Hoge Raad 2024-07-12
ECLI:NL:HR:2024:1079
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN CIVIELE KAMER Nummer 23/03005 Datum 12 juli 2024 BESCHIKKING op een vordering tot cassatie in het belang der wet, ingesteld door de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden en gericht tegen de beschikking in de zaak 200.278.504/01 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 10 juni 2021. 1 Procesverloop Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar: a. de beschikking in de zaak C/02/354332 / FA RK 19-431 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 20 februari 2020; b. de beschikking in de zaak 200.278.504/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 10 juni 2021. Tegen de beschikking van het hof heeft de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad beroep in cassatie ingesteld in het belang der wet. De vordering van de Procureur-Generaal strekt ertoe dat de Hoge Raad de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 10 juni 2021 in het belang der wet zal vernietigen met bepaling dat de vernietiging geen nadeel toebrengt aan de door partijen verkregen rechten. 2 Uitgangspunten en feiten 2.1 Deze uitspraak op een vordering tot cassatie in het belang der wet gaat over de vraag of de gecertificeerde instelling belanghebbende is in een procedure op de voet van art. 1:253n BW die ziet op beëindiging van het gezamenlijk gezag over een kind dat onder toezicht is gesteld. 2.2 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. (i) Partijen zijn de ouders van twee minderjarige kinderen. (ii) De kinderen zijn vanaf medio mei 2017 onder toezicht gesteld. (iii) De kinderen wonen sinds juni 2017 bij de vader, aanvankelijk op grond van een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen bij de vader. In februari 2018 heeft de rechtbank bepaald dat de kinderen voortaan hun hoofdverblijfplaats bij de vader zullen hebben. (iv) De ondertoezichtstelling is telkens verlengd, laatstelijk tot 17 augustus 2021. 2.3 De vader heeft de rechtbank op de voet van art. 1:253n BW verzocht het gezamenlijk gezag over de kinderen te beëindigen en hem alleen met het gezag over de kinderen te belasten. De rechtbank heeft het gezamenlijk gezag van de ouders over de kinderen beëindigd en bepaald dat dit voortaan alleen door de vader zal worden uitgeoefend. De rechtbank heeft in haar beschikking de bij de kinderen betrokken gecertificeerde instelling (hierna: de GI) als belanghebbende aangemerkt. 2.4 De moeder heeft tegen deze beschikking hoger beroep ingesteld. Het hof heeft de beschikking van de rechtbank bekrachtigd. Over de positie van de GI heeft het hof het volgende overwogen: “2.4 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 30 april 2021. Bij die gelegenheid zijn gehoord: (…) - (…) de GI (…), die is opgeroepen als informant (…). (…) 3.10. De GI informeert het hof als volgt. Het is in het belang van de kinderen dat de vader voortaan alleen het gezag heeft. (…) Het door de moeder verzochte deskundigenonderzoek is te belastend voor de kinderen. (…) Wat betreft haar positie in onderhavige procedure heeft de GI [bij brief] (…) verzocht haar aan te merken als belanghebbende in plaats van als informant. Zij geeft ter toelichting op dit verzoek aan dat de GI het van belang acht om van de inhoud van de processtukken op de hoogte te zijn, zodat zij weet op welke punten informatie van de GI wordt gewenst en zij de kinderen in onderhavige procedure ondersteuning en begeleiding kan bieden. Motivering van de beslissing Positie van de GI 3.11. Het hof is van oordeel dat de GI als informant moet worden aangemerkt en niet als belanghebbende in de zin van artikel 798 lid 1, eerste volzin, Rv. De GI is betrokken en heeft weliswaar een belang, maar dat belang moet worden geduid als een afgeleid belang; de GI wordt niet rechtstreeks in haar belang getroffen door onderhavig geschil tussen de ouders omtrent een wijziging van het gezag. De wijze waarop de GI in onderhavige procedure is betrokken, blijft daarom ongewijzigd.” 3 Beoordeling van het middel 3.1 Het middel legt de vraag voor of in een zaak op de voet van art. 1:253n BW die ziet op beëindiging van het gezamenlijk gezag over een kind dat onder toezicht is gesteld, de gecertificeerde instelling belanghebbende is in de zin van art. 798 lid 1 Rv. 3.2 De kinderrechter kan een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling als bedoeld in art. 1.1 Jeugdwet (art. 1:254 BW in verbinding met art. 1:255 BW). De gecertificeerde instelling heeft tot taak, kort gezegd, toezicht te houden op de minderjarige en te zorgen dat aan de minderjarige en de met het gezag belaste ouders of ouder hulp en steun worden geboden opdat de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige binnen de duur van de ondertoezichtstelling worden weggenomen (art. 1:262 lid 1 BW). In het kader van haar taakvervulling komen aan de gecertificeerde instelling onder meer de in titel 14, afdeling 4, van Boek 1 BW vermelde bevoegdheden toe (zie de vordering tot cassatie in het belang der wet van de Advocaat-Generaal onder 4.27-4.29). 3.3 Ingevolge art. 1:253n lid 1 BW kan, kort gezegd, de rechtbank op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen. In dat geval bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over ieder van de minderjarige kinderen toekomt. 3.4 De rechtspleging in zaken betreffende het personen- en familierecht, in andere zaken dan scheidingszaken, wordt beheerst door afdeling 1 van titel 6 van het derde boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (art. 798-813 Rv). Art. 798 lid 1, eerste volzin, Rv bepaalt dat voor de toepassing van deze afdeling onder belanghebbende wordt verstaan “degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft”. 3.5 Belanghebbenden hebben een zelfstandige processuele positie. Zij hebben het recht om een verweerschrift in te dienen (art. 282 lid 1 Rv), daarbij een zelfstandig verzoek in te dienen, mits dit betrekking heeft op het onderwerp van het oorspronkelijke verzoek (art. 282 lid 4 Rv) en van de gegeven beschikking hoger beroep in te stellen (indien daarvan hoger beroep openstaat) (art. 358 lid 2 Rv; art. 806 Rv). Zij hebben ook recht op inzage in en afschrift van in beginsel alle processtukken (art. 290 Rv) en ontvangen een afschrift van de beschikking (art. 290 lid 3 Rv; art. 805 lid 1 Rv). 3.6 Over de betekenis van art. 798 lid 1 Rv is in de wetsgeschiedenis het volgende opgemerkt : “Wat er zij van de betekenis van het begrip belanghebbende in de algemene regeling van de verzoekschriftprocedure, voor de familieverzoekschriftprocedure wordt een nadere bepaling van dit begrip voorgesteld om zo de in beginsel ruime kring van belanghebbenden bij deze procedures enigszins in te perken. Belanghebbend is degene, op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft. Dit impliceert dat niet iedereen die pretendeert een belang in de zin van betrokkenheid bij (sympathie voor) de zaak te hebben ook in de procedure als belanghebbende zal worden erkend. (…) Het is nimmer de bedoeling geweest om (…) de personen of instanties, van wie een zekere betrokkenheid bij de zaak niet kan worden ontkend, als belanghebbenden te beschouwen. Om dat nog beter tot uitdrukking te brengen is in de omschrijving het woord «rechtstreeks» opgenomen. De zaak moet rechtstreeks betrekking hebben op zijn rechten en verplichtingen, wil iemand als belanghebbende kunnen worden aangemerkt. Iemand die een indirect belang heeft, is geen belanghebbende in de zin van artikel 798.” 3.7 Het vorenstaande betekent dat de door art. 798 lid 1, eerste volzin, Rv bestreken kring van belanghebbenden niet in algemene zin kan worden afgebakend. Welke persoon of instelling (hierna elk van beide: de betrokkene) als belanghebbende moet worden aangemerkt, wordt bepaald – aan de ene kant – door het onderwerp van de aan de rechter voorgelegde zaak en – aan de andere kant – door de rechten of verplichtingen waarop de betrokkene zich beroept.
Toegepaste wetsartikelen
- Artikel 805 — De wijze van procederen voor de rechtbanken, de hoven en de Hoge Raad
- Artikel 253n — Burgerlijk Wetboek Boek 1
- Artikel 262 — Burgerlijk Wetboek Boek 1
- Artikel 800 — De wijze van procederen voor de rechtbanken, de hoven en de Hoge Raad
- Artikel 255 — Burgerlijk Wetboek Boek 1
- Artikel 290 — De wijze van procederen voor de rechtbanken, de hoven en de Hoge Raad
- Artikel 254 — Burgerlijk Wetboek Boek 1
- Artikel 806 — De wijze van procederen voor de rechtbanken, de hoven en de Hoge Raad
- Artikel 282 — De wijze van procederen voor de rechtbanken, de hoven en de Hoge Raad
- Artikel 798 — De wijze van procederen voor de rechtbanken, de hoven en de Hoge Raad
- Artikel 358 — De wijze van procederen voor de rechtbanken, de hoven en de Hoge Raad