ECLI:NL:HR:2024:1668
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/03893 P
Datum 19 november 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 19 oktober 2022, nummer 22-000115-21, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de betrokkene.
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat deze opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2.1 Het cassatiemiddel klaagt over de verwerping door het hof van het verweer dat de uitgaven die de betrokkene heeft gedaan voor de huur van auto’s niet mogen worden betrokken in de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
2.2.1 In de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak is de betrokkene veroordeeld voor medeplegen van opzetheling, medeplegen van oplichting en witwassen, telkens meermalen gepleegd. Het arrest van het hof in de strafzaak houdt onder meer in:
“Op verzoek van de verdediging is getuige en medeverdachte [betrokkene 1] gehoord bij de raadsheer-commissaris. Bij de raadsheer-commissaris heeft [betrokkene 1] een voor de verdachte ontlastende verklaring afgelegd. De verdediging beroept zich ter terechtzitting meermalen op deze ontlastende verklaring.
Het hof acht de bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van [betrokkene 1] echter niet geloofwaardig, nu deze verklaring met betrekking tot de verdachte naar het oordeel van het hof onvoldoende steun vindt in het dossier. De andersluidende verklaring die [betrokkene 1] eerder, bij de politie, als verdachte heeft afgelegd vindt daarentegen wel steun in het dossier en in de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, in het bijzonder voor wat betreft de gang van zaken bij de handel in gestolen auto’s en zijn rol daarbij.”
2.2.2 In de strafzaak heeft het hof voor het bewijs gebruik gemaakt van de volgende passage uit een verklaring die [betrokkene 1] op 14 september 2015 als verdachte bij de politie heeft afgelegd:
“Ik ben vandaag, 14 september 2015, aangehouden, omdat ik een gestolen auto verkocht heb vandaag aan iemand. Ik had die auto al twee weken. Het was een Volkswagen Polo. Ik heb die auto vandaag in Den Haag verkocht. Die auto was eerst nog gewoon met de originele platen. Vervolgens ben ik naar iemand in Gouda gegaan. Deze jongen in Gouda heb ik 1500,- euro betaald om alles in orde te maken. Hiermee bedoel ik dat er andere kentekenplaten en een ander kentekenbewijs voor de auto gemaakt werden. Die jongen heeft toen voor mij geregeld dat de auto op internet te koop werd gezet. Hij had hem volgens mij op Marktplaats gezet. Vervolgens bellen klanten die laat je komen en toen kwamen jullie om de hoek en werd ik gepakt. Ik heb samen met de koper de auto overgeschreven. We waren 10.400,- euro overeengekomen. Dit heeft de koper aan mij ook betaald. Ik merk op dat de politie 10.600 euro in beslag heeft genomen.”
2.2.3 Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep in de ontnemingszaak heeft de raadsvrouw van de betrokkene daar het woord gevoerd overeenkomstig de pleitnota die aan het proces-verbaal is gehecht. Deze pleitnota houdt in:
“1. Kosten i.v.m. het huren van auto’s
[verdachte] heeft € 6.749,03 contant betaald in verband met gehuurde personenauto’s. Ook is er vanaf zijn bankrekening een bedrag van € 16.402,00 overgemaakt naar verhuurders van auto’s (voornamelijk naar [A] ).
[betrokkene 1] heeft bij de RHC verklaard dat [verdachte] de auto’s op zijn verzoek heeft gehuurd en dat hij ( [betrokkene 1] dus) steeds contant geld aan [verdachte] gaf om de kosten van de auto’s te voldoen. [verdachte] heeft hiermee de huur van auto’s contant betaald.
Ook betaalde [verdachte] regelmatig via de bank voor het huren van auto’s. [betrokkene 1] gaf hem dan eerst geld. Dit volgt ook uit het pv. [verdachte] heeft een bedrag van € 16.402,90 aan autokosten via zijn bankrekening overgemaakt. Terwijl op zijn rekening een bedrag van € 16.850,00 is gestort. Volgens [verdachte] was dat dus het geld dat hij van [betrokkene 1] had gekregen. Dat geld stortte [verdachte] op zijn eigen rekening, om het vervolgens over te maken naar het autoverhuurbedrijf.
Met andere woorden: [verdachte] heeft dus geen uitgaven of betalingen uit eigen zak gedaan ten behoeve van het huren van auto’s. Het geld was steeds afkomstig van [betrokkene 1] .
Volgens de rechtbank is de RHC verklaring van [betrokkene 1] ongeloofwaardig. Citaat uit het vonnis van de rechtbank: de bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring door [betrokkene 1] is niet geloofwaardig, omdat deze verklaring met betrekking tot de verdachte ([opmerking advocaat]: [verdachte] dus) naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende steun vindt in het dossier. De andersluidende, belastende, verklaring die [betrokkene 1] eerder als verdachte bij de politie heeft afgelegd vindt daarentegen juist wél steun in andere bewijsmiddelen.
Voor de verdediging is dit een onbegrijpelijke en onjuiste overweging van de rechtbank. [betrokkene 1] heeft bij de politie namelijk voornamelijk gezwegen en nooit belastend over cliënt verklaard. Zijn verklaringen zitten niet in het ontnemingsdossier en hecht ik daarom aan mijn pleitnota.
En [betrokkene 1] verklaarde bij de politie juist ontlastend over cliënt. Zo verklaart hij over [verdachte] (ivm de aanhouding op 14 september 2015):
“Ik wil hierbij ook opmerken dat mijn vriend ([opmerking advocaat]: dat was [verdachte] ) die vandaag ook door de politie is aangehouden er niets mee te maken heeft. Ik heb hem nergens van op de hoogte gesteld en hem alleen vandaag na de verkoop gebeld om mij op te komen halen in Rijswijk.”
Ook verklaart [betrokkene 1] dat [verdachte] maar weinig met deze zaken te maken heeft en dat [verdachte] niet de door hem beschreven autohandelaar is.
Dat de verklaring van [betrokkene 1] onbetrouwbaar zou zijn, blijkt niet uit het dossier. In het dossier ziet de verdediging geen feiten en of omstandigheden waaruit blijkt dat [betrokkene 1] in strijd met de waarheid heeft verklaard bij de RHC over [verdachte] . Anders gezegd: uit niets blijkt dat [betrokkene 1] liegt bij de RHC. De verdediging verzoekt u daarom uit te gaan van de verklaring van [betrokkene 1] zoals afgelegd bij de RHC.
Tussenconclusie (tav de autokosten)
De betalingen aan [A] B.V. zijn niet van [verdachte] afkomstig, maar van [betrokkene 1] . Daarom verzoekt de verdediging het wederrechtelijk verkregen voordeel met betrekking tot de autokosten op nihil te schatten.”
2.2.4 Het hof heeft geoordeeld dat de betrokkene uit de in de strafzaak bewezenverklaarde feiten wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. De uitspraak van het hof houdt onder meer in:
“Contante uitgaven huurauto’s [A]
Ten aanzien van de contante betalingen aan [A] is door de verdediging naar voren gebracht dat betrokkene deze betalingen in opdracht en voor rekening van [betrokkene 1] heeft verricht, hetgeen door [betrokkene 1] bij de raadsheer-commissaris is bevestigd.
Bij (onherroepelijk) arrest van 25 september 2019 in de strafzaak van de verdachte heeft het hof overwogen dat de door [betrokkene 1] bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring niet geloofwaardig is, nu deze verklaring met betrekking tot de verdachte naar het oordeel van het hof onvoldoende steun vindt in het dossier en afwijkt van [betrokkene 1] eerdere, andersluidende verklaring die wel steun vindt in het dossier en de bewijsmiddelen. Daarvan uitgaande is het hof van oordeel dat die verklaring van [betrokkene 1] niet kan dienen ter onderbouwing van hetgeen betrokkene in deze ontnemingszaak naar voren heeft gebracht. Dit betekent dat het hof niet aannemelijk acht dat de betalingen die betrokkene voor huurauto's heeft gedaan, in opdracht en voor rekening van [betrokkene 1] zijn verricht.
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 november 2024.