ECLI:NL:OGEAC:2017:103
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
VONNIS
in de zaak van:
[Eiser],
wonende in Curaçao,
eiser,
gemachtigde: mr. C.S.F. Marshall
tegen
[Gedaagde],
wonende in Curaçao,
gedaagde,
gemachtigde thans: mr. S.C. Larmonie.
Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.
Dit vonnis bouwt voort op het tussenvonnis van 15 augustus 2016.
1 Het verdere procesverloop
1.1. Bij vonnis van 15 augustus 2016 is de zaak naar de rol verwezen voor uitlaten partijen. De man heeft een akte genomen.
Ook de vrouw heeft een akte genomen en daarbij producties in het geding gebracht.
De man heeft een akte uitlating producties genomen.
1.2. De zaak is naar de rol verwezen voor vonnis dat nader is bepaald op heden.
2 De verdere beoordeling
2.1. Wat in het vonnis van 15 augustus 2016 werd overwogen en beslist wordt als hierna herhaald beschouwd.
2.2. De vrouw heeft in haar (laatste) akte gevorderd:
“de verdeling zoals de vrouw heeft verzocht vast te stellen, en
partijen te bevelen mee te werken aan de notariële akte van verdeling en levering, waarvan partijen elk de helft van die kosten voor hun rekening moet nemen, en
een verrekening op de boedel ex art. 3:178 lid 2 BWNA gelijk aan het door de vrouw totaal gemaakte kosten ter behoud en onderhoud van de boedel toe te staan en subsidiair verrekening op de man van de helft van de totale kosten voornoemd op de aan de man toekomende deel uit de gemeenschap nadat de verdeling heeft plaatsgehad, te bepalen, voor het geval een der partijen daaraan geen medewerking verleent, dat het door uw gerecht te wijzen vonnis, als bedoeld in artikel 3: 300 BW, in de plaats treedt van de notariële akte van verdeling en levering. Althans een zodanige beslissing te nemen als de rechter in goede justitie meent te behoren, ter uiteindelijke afwikkeling en verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap in kwestie.”
2.3. De man heeft aangevoerd dat dit een eis in reconventie is die ingevolge artikel 183 Rv. bij conclusie van antwoord had moeten worden ingesteld en dat dit betekent dat de vordering als zodanig niet toewijsbaar is.
2.4. Het gerecht overweegt als volgt. Het gaat in artikel 3:178 lid 2 BW om verrekening van opeisbare schulden die voor rekening van de gemeenschap komen.
De vrouw verlangt echter verrekening van bedragen die zij naar haar zeggen ten behoeve van de boedel heeft betaald. Daarop is artikel 3:178 lid 2 BW niet van toepassing.
2.5. Op zichzelf zou dit laatste aan verrekening niet in de weg hoeven te staan, maar daar is overeenstemming voor nodig en uit de stellingen van de vrouw blijkt niet, dat partijen over de door haar verlangde verrekening een afspraak hebben gemaakt. Uit de reactie van de man blijkt, dat hij met het voorstel van de vrouw niet instemt. Die vordering is daarom niet toewijsbaar.
Het pensioen van de vrouw
2.6. De opbouw van het pensioen door de vrouw is begonnen in maart 1971 en, met een korte onderbreking, geëindigd in december 2006. Partijen zijn in 1969 gehuwd en in 2013 van de echt gescheiden. De contante waarde van dit pensioen dient dus in zijn geheel bij helfte te worden verdeeld.
2.7. De vrouw heeft een verklaring overgelegd van het APC gedateerd 4 november 2014 en een email van 22 juni 2015 waaruit blijkt dat de totale contante waarde van de door de vrouw opgebouwde pensioenrechten op datum echtscheiding
NAf 201.242,50 bedraagt. Aan ieder van partijen komt hiervan de helft toe zijnde NAf 100.621,--.
In de email van het APC van 22 juni 2015 (productie 1 bij akte van 30 juni 2015) is aan de opgave toegevoegd dat de totale contante waarde van het nabestaandenpensioen (NAf 19.383,-- plus NAf 3.330,-- is) NAf 22.713,-- bedraagt. Het Gerecht neemt aan dat dit laatste bedrag is inbegrepen in de door de vrouw opgebouwde pensioenrechten ten bedrage van NAf 201.242,50.
Uit de opgave volgt daarom dat de contante waarde van het ouderdomspensioen (dus los van het nabestaandenpensioen) afgerond NAf 178.529,-- (NAf 201.242,50 min NAf 22.713,--) bedraagt.
De contante waarde van het ouderdomspensioen zal worden toebedeeld aan de vrouw en de contante waarde van het nabestaandenpensioen aan de man.
De vrouw is te dezer zake dus overbedeeld met (NAf 178.529,-- min NAf 100.621,-- is ) NAf 77.908,--.
Dit bedrag zal moeten worden verrekend. Over de wijze waarop dat dient te geschieden hebben partijen zich nog niet uitgelaten. De mogelijkheden zijn ofwel betaling van een bedrag ineens ofwel het rechtstreeks maandelijks laten uitkeren door de pensioeninstantie aan de man (zie in dat kader ook de brief van APC van 4 november 2014). Deze laatste wijze van uitvoering van de verdeling van het pensioen van de vrouw lijkt het meest voor de hand te liggen gezien de leeftijd van partijen. Partijen zullen zich hierover nog dienen uit te laten.
Bij het voorgaande is geen rekening gehouden met het door APC in zijn verklaring van 4 november 2014 genoemde bedrag aan duurtetoeslag ad NAf 7.476,-- per jaar. Die duurtetoeslag komt immers ten laste van de voormalige werkgever van de vrouw en niet is gebleken dat deze bereid is de duurtetoeslag te voldoen.
Het pensioen van de man
2.8. Zoals in het vonnis van 15 augustus 2016 werd overwogen heeft de man een pensioen van € 89, - per maand. Over de contante waarde heeft de man, hoewel daar in het vonnis van 15 augustus 2016 andermaal om werd gevraagd, geen inlichtingen verstrekt. Daarom zal bepaald worden dat de man maandelijks de helft van dit bedrag dus € 44.50,-- aan de vrouw dient te betalen.
Dit bedrag is de man, gelet op de datum van de echtscheiding 25 juni 2013, ingaande de maand juli 2013, toen de man al recht op het door hem opgebouwde pensioen had, aan de vrouw verschuldigd.
De woning
2.9. Blijkens de laatste akten van partijen zijn zij het erover eens dat de waarde van de woning op de peildatum NAf. 105.000,- bedroeg. De man heeft te kennen gegeven dat hij wil dat de woning wordt verkocht en de helft van de opbrengst aan partijen wordt uitgekeerd. De vrouw daarentegen heeft te kennen gegeven dat zij de woning toebedeeld wil krijgen en de man wil uitkopen, als dat financieel haalbaar is.
Het gerecht er (vooralsnog) vanuit dat dit laatste niet het geval is omdat de vrouw wegens overbedeling van de pensioenrechten al het bedrag van NAf 77.908,- bij de verdeling dient in te brengen. Tevens heeft de vrouw tijdens de comparitie van partijen gehouden op 3 april 2014 aangegeven dat zij niet in staat is de man uit te kopen. Als de vrouw alsnog onderbouwd aantoont dat zij de man wel kan uitkopen, kan de woning aan haar worden toebedeeld. Is dat niet het geval dan zal de woning dienen te worden verkocht tegen een zo hoog mogelijke opbrengst en wordt de netto waarde tussen partijen verdeeld overeenkomstig artikel 3: 185 lid 2 sub c BW. De vrouw zal zich hierover aldus moeten uitlaten.
De inboedel
2.10. Over de waarde van de inboedel zijn partijen het in zoverre eens dat wat er in de woning staat op NAf. 10.000, - moet worden gewaardeerd.
De vrouw heeft echter gesteld de man zich al voor NAf. 30.000, - aan tot de inboedel behorende zaken heeft toegeëigend en elders heeft opgeslagen. Deze stelling heeft zij echter niet met feiten onderbouwd.
Het gerecht,
- verwijst de zaak naar de rol van 16 oktober 2017 voor het nemen van een akte na tussenvonnis P1 zijdens de vrouw, waarna de man op de rol van 30 oktober 2017 een antwoord-akte zal nemen, tevens P1;
- beveelt een verschijning van de partijen voor het geven van inlichtingen en het beproeven van een minnelijke regeling, in het stadhuis, Wilhelminaplein 4, op 2 november 2017 om 14.00 uur, zulks ten overstaan van mr. S.E. Sijsma;
- bepaalt dat partijen in persoon aanwezig zullen zijn;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.E. Sijsma en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2017.