Rechtspraak Parket bij de Hoge Raad 1988-11-25
ECLI:NL:PHR:1988:AD0526
HV. Nr. 7483 Rekest Krankzinnigenwet parket, 7 oktober 1988 Mr. ten Kate Conclusie inzake: [verzoeker], verzoeker tot cassatie. Edelhoogachtbaar College, 1. In onderdeel 1 van het cassatiemiddel wordt uitgegaan van de datum 16 augustus 1988. Naar ik aanneem, wordt daarmee gedoeld op de datum waarop het verhoor van betrokkene door de Kantonrechter plaats vond, nu in de aanhef van het verzoekschrift onder (1) deze datum als de datum van behandeling, waarvan proces-verbaal, wordt genoemd. Blijkens dat proces-verbaal vond evenwel de behandeling op 17 augustus 1988 plaats, zodat ik het onderdeel als in die zin verbeterd zal lezen. 2. Uit voormeld proces-verbaal blijkt, dat tussen de aldaar genoemden is afgesproken een poging te ondernemen betrokkene geplaatst te krijgen in St. Willibrordus te Heiloo. 3. Uit de tijdig in cassatie bestreden beschikking van 24 augustus 1988 van de Kantonrechter te Amsterdam blijkt hetgeen ten vervolge op deze afspraak is geschied. 4. Kennelijk heeft bij die gelegenheid de vader van betrokkene aan de Kantonrechter de daar vermelde gegevens verschaft, zoals de Kantonrechter in zijn overweging met "nadien" tot uitdrukking brengt. 5 . Het enkele feit dat hiervan niet uit andere stukken blijkt, maakt deze feitelijke vaststelling niet onbegrijpelijk. 6 . De hiertoe beperkte klacht in onderdeel 1 mist derhalve doel. 7 . Nu de Kantonrechter heeft overwogen - en daarmee aannemelijk geacht -, dat naar mededelingen van de vader betrokkene "thuis niet meer is te handhaven en ook met een mes in de hand heeft gedreigd suïcide te plegen en voorts hem, [betrokkene 1], heeft gedreigd met een vaas", heeft de Kantonrechter voldoende duidelijk aangegeven, waarin hij het voor het kunnen nemen van een maatregel als de onderhavige vereiste gevaar in dit geval bij betrokkene aanwezig heeft geacht. 8 . Onderdeel 2 stuit daarop af. 9 . De enkele omstandigheid dat de raadsvrouwe de situatie anders beoordeelde, doet niet af aan dit op feitelijke waardering berustende oordeel van de Kantonrechter die daarmee de raadsvrouwe duidelijk niet volgde. De conclusie strekt tot verwerping van het verzoek tot cassatie. Parket, 7 oktober 1988 De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,