Rechtspraak Parket bij de Hoge Raad 1998-10-06
ECLI:NL:PHR:1998:ZD3901
Nr. 108.684 Zitting 6 oktober 1998 Mr Fokkens Conclusie inzake: [verdachte] Edelhoogachtbaar College, 1. Verdachte is door de arrondissementsrechtbank te Arnhem veroordeeld wegens onverzekerd rijden tot een geldboete van f 660,-, subsidiair 13 dagen hechtenis, met ontzegging van de rijbevoegdheid voor de tijd van vier maanden. 2. Middelen van cassatie zijn door of namens verdachte niet voorgesteld. 3. Ambtshalve wil ik de aandacht vestigen op het volgende. De inleidende dagvaarding is op 26 november 1996 uitgereikt ter griffie omdat van de verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was. Een GBA-overzicht van 25 november 1996 vermeldt alleen een historisch adres te [plaats] van verdachte. De inleidende dagvaarding is op dat adres ook aangeboden, op 18 november 1996, maar kon niet worden uitgereikt omdat volgens degene die zich op dat adres bevond, verdachte daar niet woonde noch verbleef. Verdachte is ter terechtzitting niet verschenen. De stukken houden niets in waaruit kan volgen dat de mogelijkheid dat verdachte was gedetineerd ten tijde van de betekening van de inleidende dagvaarding is onderzocht. Verder blijkt uit controle naar de geldigheid van de dagaanzegging in cassatie dat verdachte met ingang van 25 november 1996 stond ingeschreven op een adres te [plaats]. Onder deze omstandigheden moet worden aangenomen dat de inleidende dagvaarding niet op geldige wijze is betekend. 4. Ter terechtzitting in hoger beroep is verdachte, aan wie de appeldagvaarding in persoon is uitgereikt, niet verschenen. Zijn raadsman, die wel is verschenen, heeft aangevoerd : "Mij bekruipt het gevoel dat de inleidende dagvaarding wellicht nietig is. Op het moment dat verdachte door de kantonrechter werd veroordeeld zat verdachte mogelijk gedetineerd." 5. De rechtbank heeft hierop als volgt beslist: "Uit de stukken is niet gebleken dat verdachte op het moment van de betekening van de dagvaarding in eerste aanleg gedetineerd zat. Derhalve is de dagvaarding in eerste aanleg op de bij de wet voorgeschreven wijze betekend. " 6. Gelet op hetgeen onder 3 is weergegeven is het oordeel van de rechtbank dat de inleidende dagvaarding geldig is betekend onjuist. 7. Ik concludeer dat de bestreden uitspraak zal worden vernietigd, behalve voorzover daarbij het vonnis van de kantonrechter is vernietigd, en dat de inleidende dagvaarding nietig zal worden verklaard. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,