ECLI:NL:PHR:2001:AB1333
[Verzoekster=verdachte]
Edelhoogachtbaar College,
1. Bij arrest van 22 december 1999 is verzoekster door het gerechtshof te Amsterdam veroordeeld ter zake van "opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 8.1 eerste lid van de Wet milieubeheer, begaan door een rechtspersoon" tot een geldboete van vijfenvijftigduizend gulden.
2. Het cassatieberoep is ingesteld door mr. J. Hielkema, advocaat te Rotterdam. Namens verzoekster heeft mr. J.M. Sjöcrona, advocaat te 's Gravenhage, drie middelen van cassatie voorgesteld.
Deze zaak hangt samen met een vijftal andere zaken, bekend onder griffienummers 0275/00 E, 0276/00 E, 0277/00 E, 0279/00 E en 0280/00 E, waarin ik heden eveneens conclusie neem.
3.1. Het eerste middel klaagt blijkens de toelichting daarop erover dat het hof het verweer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard wegens schending van de redelijke termijn ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.
3.2. Het hof heeft het in het middel bedoelde verweer in de bestreden uitspraak als volgt weergegeven en verworpen:
"redelijke termijn
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting betoogd dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging, nu de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden, met name gelet op het tijdsverloop tussen het instellen van het hoger beroep en de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
De meervoudige economische kamer voor strafzaken in de arrondissementsrechtbank te Utrecht heeft de verdachte op 26 juni 1997 veroordeeld.
Tegen dit vonnis is op 3 juli 1997 hoger beroep ingesteld namens verdachte.
De stukken van het geding zijn op 2 december 1997 bij de griffie van het hof binnengekomen.
Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 8 december 1999.
Tussen het instellen van het hoger beroep en de behandeling ter terechtzitting is derhalve een periode van meer dan 28 maanden verstreken.
Het hof is van oordeel - gelet op de hierboven beschreven gang van zaken - dat de vervolging en berechting van de verdachte niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, lid 1, EVRM. Het hof is tevens van oordeel dat bij afweging van het belang dat de maatschappij heeft bij verdere vervolging - ook nadat bedoelde redelijke termijn is overschreden - tegen het belang dat de verdachte heeft bij niet verdere vervolging, het eerste belang dient te prevaleren.
Dit betekent dat het Openbaar Ministerie wel ontvankelijk is in zijn vervolging, maar dat het hof bij de eventueel op te leggen straf rekening zal houden met de overschrijding van de redelijke termijn."
3.3. Aldus heeft het hof het beroep op niet-ontvankelijkheid toereikend gemotiveerd verworpen. In 's hofs oordeel dat tussen het instellen van het hoger beroep en de behandeling ter terechtzitting meer dan 28 maanden zijn verstreken ligt namelijk besloten dat de overschrijding van de redelijke termijn ruim vier maanden bedraagt(1). In aanmerking genomen dat dit slechts een geringe overschrijding van de redelijke termijn is, terwijl de sanctie van niet-ontvankelijkheid de zwaarst denkbare is en derhalve slechts in uitzonderlijke gevallen dient te worden toegepast, zoals wanneer in een eenvoudige zaak een zeer ernstige overschrijding van de redelijke termijn is voorgevallen, is 's hofs oordeel dat in casu strafvermindering de toepasselijke sanctie is ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk.
3.4. Hetgeen de raadsman ter terechtzitting bij pleidooi heeft aangevoerd, namelijk dat naderhand door Gedeputeerde Staten alsnog het in werking hebben van de asfaltrecylingcentrale tijdelijk is vergund, kan hieraan niet afdoen.
3.5. Het eerste middel faalt dus.
4.1. Het tweede middel klaagt erover dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd. De steller van het middel doelt hierbij op een "inrichting bestemd tot het breken van steen-, beton- en asfaltpuin, en het wassen en zeven van steen-, beton- en asfaltpuin, en/of op- en overslag van bouwstoffen voor de wegenbouw en betonindustrie en/of het zeven van zand voor de betonindustrie". Dat hiervan - ten tijde van het bewezenverklaarde feit "in de periode van 1 januari 1997 tot en met 17 februari 1997"- sprake is geweest zou niet uit de bewijsmiddelen kunnen volgen.
4.2. Tot het bewijs heeft het hof onder 1. gebezigd een beschikking van Gedeputeerde Staten van de Provincie Utrecht d.d. 12 november 1991, waarbij het aan verzoekster is vergund om een inrichting als onder 4.1. omschreven op te richten en in werking te hebben. De vergunning is verleend tot vijf jaren na de datum van het van kracht worden van de vergunning. Bewijsmiddel 2 houdt in, als relaas van verbalisanten, dat zij op 29 januari 1997 een bedrijfscontrole hebben uitgeoefend bij [verdachte] op het terrein [a-straat 1] te [vestigingsplaats] en dat zij daar zagen dat de oprichting van de asfaltrecyclingcentrale in een verder gevorderd stadium was dan op 21 januari 1997. Bewijsmiddel 3 houdt in dat door verzoekster een conceptaanvraag, maar nog geen ontvankelijke (uitbreidings)aanvraag, is ingediend voor uitbreiding van de aan haar op 30 december 1996 verleende vergunning, welke uitbreiding betrekking heeft op het oprichten en in werking stellen van een asfalt recycling centrale. Bewijsmiddel 4 houdt de verklaring van de vertegenwoordiger van verzoekster in, die luidt dat [verdachte] in zijn opdracht in de periode van 1 januari 1997 tot en met 17 januari 1997 (dit is ongetwijfeld een verschrijving, bedoeld zal zijn februari 1997, AM) een asfaltrecyclingcentrale liet bouwen.
4.4. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het hof aangenomen dat de milieuvergunning van 30 december 1996 de opvolger was van de vergunning die op 12 november 1991 was afgegeven. Het hof mocht daarvan uitgaan gelet ook op hetgeen de advocaat in hoger beroep heeft aangevoerd over de soort inrichting die verdachte dreef.(2) Het hof heeft aldus ook kunnen aannemen dat de beschrijving van de inrichting zoals in de vergunning van 1991 opgenomen in januari 1997 nog gelding had.
4.5. Het middel faalt dus.
5.1. Het derde middel klaagt erover dat het hof niet heeft gerespondeerd op het verweer dat [verdachte] geen asfaltrecyclinginstallatie "heeft opgericht/gebouwd".
5.2. Blijkens het proces-verbaal van het hof van 8 december 1999 is aldaar door de verdediging het in het middel bedoelde verweer gevoerd. Dit verweer is gebaseerd op de stelling dat van "veranderen" van de inrichting alleen sprake kan zijn indien de oprichting/bouw van de asfaltrecyclingcentrale is voltooid.
5.3. 's Hofs verkorte arrest houdt - zoals de steller van het middel terecht betoogt - niet een respons op dit verweer van kwalificatieve strekking in. Dit behoeft echter niet tot cassatie te leiden op grond van het volgende.
5.4. Het hof heeft wel in de aanvulling op het verkorte arrest een nadere bewijsoverweging opgenomen, die luidt:
"Het hof overweegt dat in dit geval, nu de verdachte niet over een vergunning beschikte, die het haar toestond een afsaltrecyclingcentrale (bedoeld zal zijn asfalt, AM) op te richten dan wel in werking te hebben, maar de verdachte wel reeds een vergunning voor verschillende bedrijfsactiviteiten op het bedrijfsterrein aan de [a-straat 1] te [vestigingsplaats] bezat, gesproken kan worden van een 'verandering' van de inrichting. Immers staat vast dat voor de uitbreiding van de bedrijfsactiviteiten met een asfaltrecyclingcentrale geen 'dekkende' vergunning aanwezig is geweest bij de verdachte."
5.5. Deze overweging moet aldus worden verstaan dat aan verzoekster destijds een vergunning is verleend om een inrichting, zoals is bewezenverklaard, op te richten en in werking te hebben.