Rechtspraak Parket bij de Hoge Raad 2003-06-24
ECLI:NL:PHR:2003:AF5429
Strafrecht
16. Het middel slaagt. 17. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beslissing en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank te Dordrecht, teneinde de zaak op het bestaande beroep opnieuw af te doen. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG 1 Met ingang van 1 september 2001 luidt art. 113 van de Wet Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens: "1. Van een persoon worden gegevens opgenomen in het vestigingsregister indien die persoon: a. op grond van artikel 26 wordt ingeschreven in een basisadministratie, b. bij de verantwoordelijke voor de bewerking van gegevens in de basisadministratie in de Nederlandse Antillen of Aruba, waar hij laatstelijk als ingezetene was ingeschreven, aangifte van zijn voorgenomen vestiging in Nederland heeft gedaan, en door die verantwoordelijke daarvan mededeling wordt gedaan aan het vestigingsregister, of c. aangifte van vertrek heeft gedaan en daarbij meldt te gaan verblijven in de Nederlandse Antillen of Aruba." De gegevens in het vestigingsregister worden verwijderd indien de betrokkene zich inschrijft in een gemeentelijke basisadministratie in de Nederlandse Antillen of Aruba (zie TK 1998-99, 26 228, nr. 6, p. 12). [verzoeker = verdachte] 1. De arrondissementsrechtbank te Dordrecht heeft bij vonnis van 23 oktober 2001 [verdachte] ter zake van het besturen van een personenauto zonder dat hem door het bevoegd gezag een rijbewijs was afgegeven, ontslagen van alle rechtsvervolging. 2. De officier van justitie bij de rechtbank heeft tegen dit vonnis beroep in cassatie ingesteld en heeft tijdig een schriftuur houdende één middel van cassatie ingediend. 3. Het middel komt met een rechts- en een motiveringsklacht op tegen het oordeel van de rechtbank inzake de strafbaarheid van de bewezenverklaarde feiten. 4. Het bestreden vonnis houdt op dit punt in: "T.a.v. feiten 1. en 2: Ontslag van alle rechtsvervolging. In artikel 108, eerste lid, WVW 1994 zijn enkele uitzonderingen op de rijbewijsplicht van art. 107, eerste lid, WVW 1994 geformuleerd. Onderdeel g. van art. 108, eerste lid, geeft aan dat de rijbewijsplicht niet van toepassing is op bestuurders van motorrijtuigen, "indien die bestuurders in Nederland woonachtig zijn en aan hen door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland, anders dan in een andere Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen of in een andere Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, een rijbewijs is afgegeven dat geldig is voor het besturen van een motorrijtuig als waarmee wordt gereden, zo lang sedert de dag waarop zij zich in Nederland hebben gevestigd, nog geen 185 dagen zijn verstreken". Voor de in deze zaak te nemen beslissing zijn de volgende feiten van belang: - de verdachte was ten tijde van de bewezen verklaarde feiten in het bezit van een Antilliaans Rijbewijs, waarvan de geldigheidsduur niet was verstreken; - enige dagen voor 17 september 1998 heeft de verdachte zich voor de eerste keer in Nederland gevestigd en zich met ingang van genoemde datum bij de gemeente [woonplaats] laten inschrijven in het Bevolkingsregister; - op dat moment was de verdachte reeds in het bezit van het genoemde Antilliaans rijbewijs; - tot 5 juli 1999 is de verdachte op diverse adressen in de gemeente [woonplaats] ingeschreven geweest, laatstelijk op het adres [a-straat 1] te [woonplaats]; - kort na 5 juli 1999 is de verdachte vertrokken naar de Nederlandse Antillen, met de bedoeling zich daar weer te vestigen; - wegens het ontbreken van uitzicht op werk heeft de verdachte afgezien van vestiging op de Nederlandse Antillen en is hij kort voor 18 augustus 1999 weer teruggekeerd naar Nederland; - vanaf 18 augustus 1999 heeft hij zich bij de gemeente [woonplaats] weer laten inschrijven op het adres [a-straat 1] te [woonplaats]; - in de periode van zijn verblijf op de Nederlandse Antillen is de woning aan de [a-straat 1] te [woonplaats] op naam van verdachte blijven staan, doch werd deze woning gebruikt door de broer van verdachte. De woning werd niet overgeschreven op naam van de broer van verdachte om problemen met de verhuurder van de woning te voorkomen. In de periode vanaf de datum van eerste vestiging in Nederland tot aan zijn vertrek naar de Nederlandse Antillen kort na 5 juli 1999 zijn meer dan 185 dagen (als bedoeld in art. 108, lid 1 onder g., WVW 1994) verstreken. De rechter is evenwel van oordeel dat het verstrijken van deze 185 dagen-termijn niet van belang is voor de beoordeling van de strafbaarheid van de bewezen verklaarde gedragingen op 10 september 1999 en 6 oktober 1999. Het vertrek van de verdachte uit Nederland (niet voor vakantie, doch met de bedoeling om zich wederom op de Nederlandse Antillen te vestigen) en de hernieuwde vestiging in [woonplaats] kort voor 18 augustus 1999 hebben naar het oordeel van de rechter tot gevolg dat vanaf de datum van tweede vestiging in Nederland opnieuw een termijn van 185 dagen is gaan lopen. De consequentie is dat de verdachte bij het besturen van een motorrijtuig gebruik mocht maken van het hem op de Nederlandse Antillen uitgereikte rijbewijs, zodat de bewezen verklaarde feiten niet strafbaar zijn." 5. Uit het overzicht van de rechtbank volgt dat verzoeker zich voor het eerst in september 1998 in Nederland heeft gevestigd. Hij was toen in het bezit van een Antilliaans rijbewijs. Vanaf 5 juli 1999 tot 18 augustus 1999 had verzoeker zijn verblijf weer op de Nederlandse Antillen. Vanaf 18 augustus 1999 stond hij weer ingeschreven in Nederland, op het adres [a-straat 1] te [woonplaats]. De rechter heeft overwogen dat het vertrek van verzoeker uit Nederland (niet voor vakantie, doch met de bedoeling om zich wederom op de Nederlandse Antillen te vestigen) en de hernieuwde vestiging in [woonplaats] kort voor 18 augustus 1999 tot gevolg heeft dat vanaf de datum van tweede vestiging in Nederland opnieuw een termijn van 185 dagen is gaan lopen. 6. Het wettelijk regiem is als volgt. Art. 107 WVW 1994 bepaalt dat aan een bestuurder van een motorrijtuig op de weg door de bevoegde autoriteit een rijbewijs, als bedoeld in het tweede lid, dient te zijn afgegeven. Op deze verplichting formuleert art. 108 een aantal uitzonderingen. Deze uitzonderingen betreffen: - categorieën van voertuigen (lid 1 sub a); - categorieën van personen (sub b-h). Deze laatste categorieën worden gekenmerkt door: - uitzonderingen voor een beperkte tijd (sub b, c, g); - uitzonderingen wegens status (sub d, e, f); - en een combinatie van tijdelijkheid en status (sub h). 7. In casu gaat het om een bestuurder die in de categorie van naar tijd beperkte uitzonderingen valt. Art. 108, eerste lid en onder g, WVW 1994 houdt in: "Art. 107 is niet van toepassing op bestuurders van: () g. motorrijtuigen, indien die bestuurders in Nederland woonachtig zijn en aan hen door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland, anders dan in een andere Lid-Staat van de Europese Gemeenschappen of in een andere Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, een rijbewijs is afgegeven dat geldig is voor het besturen van een motorrijtuig als waarmee wordt gereden, zo lang sedert de dag waarop zij zich in Nederland hebben gevestigd, nog geen 185 dagen zijn verstreken". 8. De rijbewijsplicht van art. 107 WVW 1994 wordt terzijde gesteld zolang nog geen 185 dagen verstreken zijn sinds de (niet-EG- of -EER-)bestuurder zich in Nederland vestigde. Art. 108, eerste lid aanhef en onder g, WVW 1994 spreekt over 'sedert de dag waarop [de bestuurders] zich in Nederland hebben gevestigd'. De verdachte heeft zich in 1998 voor het eerst in Nederland gevestigd, waarbij als officiële dag van vestiging uitgegaan moet worden van zijn inschrijving in het GBA op 17 september 1998. De termijn van 185 dagen was op 21 maart 1999 verlopen. De verdachte heeft in de periode tussen 5 juli 1999 en 18 augustus 1999 niet in Nederland ingeschreven gestaan: hij heeft zich op 5 juli 1999 uitgeschreven naar de Nederlandse Antillen.(1) 9. De vraag is nu of aan een kortstondige vestiging in den vreemde betekenis dient worden toegekend in die zin dat na terugkeer uit de vreemde weer een geheel nieuwe terme de grace aanvangt, en in het bijzonder ook wanneer de oude termijn reeds was verstreken. 10. Naar mijn oordeel dient aan de uitdrukkelijk in de tijd beperkte uitzondering geen ruimere toepassing te worden gegeven dan de wetgever kennelijk op het oog heeft gehad. Ik wijs op de Memorie van Toelichting op dit onderdeel van het desbetreffende wetsartikel, waarvan het uitgangspunt is dat niet-EG- en -EER-bestuurders een redelijke periode wordt gegund om hun rijbewijs te laten omwisselen tegen een Nederlands rijbewijs, dan wel, indien dat rijbewijs niet voor omwisseling in aanmerking komt, een Nederlands rijbewijs te verkrijgen door het met goed gevolg afleggen van een Nederlands rijexamen. Uit een oogpunt van verkeersveiligheid dient een dergelijke periode niet langer te duren dan noodzakelijk is, aldus de MvT (TK 1995-96, 24 496, nr. 3, p. 5). 11.