Rechtspraak Parket bij de Hoge Raad 2005-05-24
ECLI:NL:PHR:2005:AT4114
Strafrecht
[betrokkene] 1. De Rechtbank te Rotterdam heeft bij beschikking van 22 september 2004 een vordering ex art. 552f Sv, strekkende tot onttrekking aan het verkeer van een inbeslaggenomen hond, afgewezen en de teruggave gelast van de hond aan de eigenaar. 2. De Officier van Justitie heeft beroep in cassatie ingesteld en één middel van cassatie voorgesteld. 3. Het middel voert aan dat het oordeel van de Rechtbank, dat niet met een voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de inbeslaggenomen hond van het type pitbull-terriër is, onjuist althans zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is. 4. De Rechtbank heeft de afwijzing van de vordering als volgt gemotiveerd. "De politie heeft onderhavige hond in beslag genomen omdat zij het vermoeden had dat deze hond, een hond van het pitbull-terriër type was. Nu enkel het voorhanden hebben van een hond van het pitbull-terriër type ingevolge het bepaalde in art. 73, lid 2 van de Gezondheids- en Welzijnswet voor dieren in samenhang met het bepaalde in artikel 2 van de Regeling agressieve dieren en de bijlage behorende bij die regeling verboden is, dient vast te worden gesteld of de hond een van het pitbull-terriër type is. De rechtbank stelt voorop dat voor een toewijzing van de onderhavige vordering met een aan zekerheid grenzende mate van waarschijnlijkheid dient komen vast te staan dat de inbeslaggenomen hond van het pitbull-terriër type is. Een toewijzing van de vordering brengt immers het onomkeerbare gevolg mee dat de inbeslaggenomen hond zal worden afgemaakt. In bijlage I van de Regeling Agressieve dieren worden de karakteristieken genoemd van honden van het zogenaamde pitbull-terriër type. Een van de belangrijkste karakteristieken vormt de zogenaamde schofthoogte van de hond die tussen de 35 en de 50 centimeter zou moeten zijn. In het dossier bevindt zich een proces-verbaal van bevindingen van R.A. Oud, ambtenaar bij de Algemene Inspectiedienst van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit (Visserij, WHV). Deze concludeert aan de hand van een niet nader gemotiveerd expertiseverslag, voorzien van kruisjes, dat de inbeslaggenomen hond een hond van het pitbull-terriër type is. Zijns inziens bedraagt de schofthoogte in dit geval 53 centimeter. Ook J. Fakkel, deskundige Regeling agressieve dieren, aangewezen door het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit (Visserij, WHV), heeft de inbeslaggenomen hond onderzocht. Ook hij komt tot de conclusie dat de hond een hond van het pitbull-terriër type is, maar hij meet de schofthoogte op 49 centimeter. Gelet op het bovenstaande is naar het oordeel van de rechtbank niet komen vast te staan dat de schofthoogte van de inbeslaggenomen hond valt binnen de gestelde 35 en 50 centimeter, nu de deskundigen een aanmerkelijke, van elkaar afwijkende hoogte hebben vastgesteld. Niet kan dan ook met de vereiste mate van zekerheid worden gezegd dat de inbeslaggenomen hond een hond van het pitbull-terriër type is, zoals bedoeld in bijlage I van de Regeling agressieve dieren. De vordering ex art. 552f van het Wetboek van Strafvordering dient derhalve afgewezen te worden. Nu onderhavige hond onvoldoende kan worden aangemerkt als zijnde een van het pitbull-terriër type, acht de rechtbank dat er geen grond (meer) aanwezig is om het beslag te handhaven. Derhalve gelast zij de teruggave aan de eigenares, [betrokkene] van het inbeslaggenomene." 5. Een korte schets van het wettelijke kader. Ingevolge art. 73, eerste lid, Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (GWD) is het verboden dieren, behorende tot door Onze Minister aangewezen soorten of categorieën van dieren te fokken, in Nederland te brengen, te koop aan te bieden of te verkopen. Op grond van het tweede lid van dit artikel is het verboden dieren behorende tot ingevolge het eerste lid aangewezen soorten of categorieën van dieren voorhanden te hebben. Het handelen in strijd met art. 73, tweede lid, GWD is in art. 121, eerste lid, van die wet aangemerkt als een misdrijf. 6. Op grond van art. 2 van de Regeling agressieve dieren (Stcrt. 1993, 11; hierna: de Regeling) worden als diersoorten en categorieën van dieren, bedoeld in art. 73, eerste lid, van de GWD aangewezen de soorten en categorieën van dieren als bedoeld in de bij deze regeling behorende bijlage 1. Deze bijlage (hierna: de Bijlage) vermeldt honden van het pitbull-terriër type, waaronder worden verstaan honden die in belangrijke mate voldoen aan de in de bijlage vermelde karakteristieken of in belangrijke mate gelijkenis vertonen met de afbeeldingen die in deze bijlage zijn opgenomen. 7. Uit de Toelichting op de Regeling blijkt van de volgende achtergrond voor het in de Bijlage opnemen van de woorden 'in belangrijke mate': "De Pit-bull-Terriër behoort niet tot een door de Raad van Beheer op Kynologisch gebied in Nederland erkend ras en er is derhalve geen rasstandaard voor dit type voorhanden. De eerdergenoemde Commissie van Advies Aggressief Gedrag bij Honden heeft evenwel een duidelijke omschrijving, ondersteund met fotomateriaal, gegeven van dit type. Deze omschrijving wordt in een aantal gemeenten (...) reeds met succes gebruikt voor de identificatie van dit type hond. De omschrijving is opgenomen in de bij de onderhavige regeling behorende bijlage 1. Aangegeven is dat onder honden van het Pit-bull-Terriër-type honden worden verstaan die in belangrijke mate voldoen aan de beschrijving. Hiermee wordt duidelijk dat een hond niet aan alle kenmerken behoeft te voldoen om te worden aangemerkt als Pit-bull. (...) Zowel de Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Dieren, de Raad van Beheer op Kynologisch gebied in Nederland en de Stichting voor Gezelschapsdieren als de Vereniging van Nederlandse Gemeenten wijzen op mogelijke bewijsproblemen bij het hanteren van de beschrijving van het Pitbull-Terriër-type zoals opgenomen in de bijlage. Daaraan is deels tegemoet gekomen door in de bijlage aan te geven dat honden die in belangrijke mate voldoen aan de beschrijving tot de Pit-bulls worden gerekend. Hoewel verschil van mening waarbij de rechter het laatste woord zal hebben niet geheel is uit te sluiten, worden de problemen niet van dien aard geacht dat een omkering van de bewijslast is overwogen." 8. Het middel voert aan dat het oordeel van de Rechtbank onbegrijpelijk is nu zowel in het verslag van R.A. Oud als in dat van J. Fakkel wordt geconcludeerd dat de hond van het pitbull-terriër type is als bedoeld in de Regeling en de Bijlage. Daar voegt het middel nog aan toe dat het erom gaat dat de hond in belangrijke mate voldoet aan de in de Bijlage vermelde karakteristieken, zodat een van die karakteristieken afwijkende schofthoogte op zichzelf niet aan de kwalificatie als pitbull-terriër in de weg staat. 9. Het verslag van R.A. Oud, ambtenaar bij de Algemene Inspectiedienst van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, is opgemaakt op verzoek van de politie. Uit dit verslag blijkt dat de hond aan 37 van de 38 in de Bijlage vermelde kenmerken voldoet. Het punt waarop de hond afwijkt van de karakteristieken is dat R.A. Oud een schofthoogte van 53 centimeter heeft gemeten, waar deze volgens de Bijlage tussen de 35 en 50 centimeter dient te liggen. In een bij het verslag gevoegd proces-verbaal van bevindingen heeft R.A. Oud dit onderkend, maar niettemin geconcludeerd dat de hond kan worden aangemerkt als een hond van het pitbull-terriër type als bedoeld in de Regeling. 10. De eigenares van de hond, [betrokkene], heeft een klaagschrift ingediend tegen de voortduring van het beslag op de hond. Bij de behandeling daarvan is het verslag van R.A. Oud en met name de schofthoogte ter sprake gekomen. Naar aanleiding daarvan heeft de Officier van Justitie voorgesteld een tweede deskundige te laten rapporteren. De Rechtbank heeft dat voorstel overgenomen. Dit heeft geleid tot het verslag van J.