Rechtspraak Parket bij de Hoge Raad 2008-11-18
ECLI:NL:PHR:2008:BF2107
Strafrecht
[veroordeelde] 1. De Rechtbank te Groningen heeft verlof tot tenuitvoerlegging verleend van de beslissing van de Meervoudige Kamer van de 9e Criminele Jurisdictie, 3e afdeling van het Gerechtelijk District Lissabon van 20 september 2006 en heeft de veroordeelde terzake van de in die beslissing bewezenverklaarde feiten een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren opgelegd, met de bepaling dat de in Portugal en in verband met deze zaak in Nederland in detentie doorgebrachte tijd daarop in mindering zal worden gebracht. 2. Mr. I. Verkerk(1), Officier van Justitie in het arrondissement Zwolle-Lelystad, heeft beroep in cassatie ingesteld. Mr. L. Plas, plaatsvervangend Officier van Justitie bij het arrondissementsparket Groningen, heeft een schriftuur ingezonden houdende één middel van cassatie. De raadsvrouw van de veroordeelde, mr. M.M.A.J. Goris, advocaat te Almelo, heeft het cassatieberoep tegengesproken. 3. De Officier van Justitie heeft naar aanleiding van een verzoek van de Portugese autoriteiten van 26 juli 2007 tot overname van de tenuitvoerlegging van een beslissing in een strafzaak op 8 februari 2008 een vordering als bedoeld in art. 18 WOTS ingediend. De veroordeelde is op 7 februari 2008 naar Nederland overgebracht en overeenkomstig art. 8 WOTS voorlopig aangehouden. 4. Op 19 juni 2008 heeft de raadsvrouw van de veroordeelde telefonisch aan de griffie van de Hoge Raad medegedeeld dat haar cliënte is overleden. Naar aanleiding van deze mededeling is een akte van overlijden bij de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Enschede opgevraagd. Blijkens deze akte is de veroordeelde aldaar op 13 juni 2008 overleden. 5. Nu het verzoek betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf, is door het overlijden van de veroordeelde de grondslag aan het verzoek van de Portugese autoriteiten en de daarop berustende vordering van de Officier van Justitie van 8 februari 2008 komen te ontvallen. Zie in overeenkomstige zin in uitleveringszaken HR 24 september 1985, DD 86.078 (79.313U), alsmede de annotatie van Keijzer onder HR 6 december 2005, NJ 2006, 482. 6. De Hoge Raad kan, gelet op het bepaalde in artikel 440, eerste lid, Sv en de artikelen 28, eerste lid, en 32, zevende en negende lid, WOTS, de zaak na vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank zelf afdoen. 7. Deze conclusie strekt ertoe dat de bestreden uitspraak zal worden vernietigd, en dat de Hoge Raad het Openbaar Ministerie alsnog niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn vordering. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG 1 Volgens art. 136 lid 6 Wet RO tevens plaatsvervangend Officier van Justitie bij het arrondissementsparket te Groningen en uit dien hoofde bevoegd beroep in cassatie in te stellen.