Rechtspraak Parket bij de Hoge Raad 2009-11-17
ECLI:NL:PHR:2009:BJ8624
Strafrecht
[Verdachte] 1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft verdachte op 15 oktober 2007 voor "1. mishandeling" en "2. vernieling" veroordeeld tot een geldboete van € 370,- subsidiair 7 dagen hechtenis, waarvan € 185,-, subsidiair 3 dagen hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. 2. Mr. I. Baardman, advocaat te Amsterdam, heeft cassatie ingesteld en mr. J.F. van der Brugge, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden houdende twee middelen van cassatie. 3.1. Het eerste middel klaagt over schending van de artikelen 359, 411 lid 2 en 587 Sv en artikel 6 eerste lid EVRM omdat de appèldagvaarding is uitgereikt door een functionaris die daartoe niet bevoegd is. Volgens de steller van het middel heeft het hof dit verweer ten onrechte verworpen, althans is de verwerping van dit verweer onjuist, danwel onbegrijpelijk. 3.2. De stukken van het geding houden in dat op 23 maart 2007 de bepaaldelijk gevolmachtigde raadsman ter griffie van de rechtbank kwam teneinde namens verdachte hoger beroep in te stellen en de griffier van de rechtbank Amsterdam op de voet van artikel 408a Sv, de appèldagvaarding aanstonds aan de raadsman heeft uitgereikt. 3.3. De raadsman heeft hier ter terechtzitting van het hof uitgebreid verweer op gevoerd. Dit verweer houdt volgens het hof kort en zakelijk samengevat het volgende in: ""De uitreiking van de dagvaarding in hoger beroep is nietig omdat die dagvaarding is uitgereikt door een functionaris die daartoe niet bevoegd is. Weliswaar heeft de wetgever de mogelijkheid geopend om in het geval waarin de raadsman die als gemachtigde hoger beroep heeft ingesteld op de voet van hetgeen is bepaald in artikel 408a van het Wetboek van Strafvordering (Sv.) aan die raadsman een oproeping van de verdachte te betekenen, doch ook in die situatie gelden de regels van artikel 585 e.v. Sv. onverkort. In het onderhavige geval is de dagvaarding betekend door de griffier van de rechtbank. De griffier is niet een ambtenaar of functionaris zoals bedoeld in artikel 587, tweede lid, Sv., immers niet door de Minister van Justitie aangewezen in de zin van die bepaling, aldus de raadsman onder verwijzing naar de tekst van artikel 1, aanhef en sub b. van de Aanwijzing ambtenaren van politie en functionarissen t.b.v. uitreiking en betekening van gerechtelijke stukken (ministeriële regeling d.d. 19 december 2001, nr. 5140476/504, publicatie Stcrt. 2004, 123, hierna ook te noemen: de Regeling)." 3.4. Het hof heeft naar aanleiding van het verweer van de raadsman, voor zover van belang, het volgende overwogen: "Het hof verwerpt deze verweren en overweegt daartoe het volgende. Uit de akte van uitreiking, bezien in samenhang met de "akte instellen rechtsmiddel" moet worden afgeleid dat de dagvaarding op de voet van art. 408a Sv. jo. art. 450, eerste lid, sub a, aan de raadsman uitgereikt door de griffier van de rechtbank te Amsterdam. Ingevolge art. 587, tweede lid, Sv. jo. art.1, aanhef en sub b., van de Regeling is de griffier -immers gerechtsambtenaar in de zin van artikel 1, sub d. van de Wet op de Rechterlijke Organisatie (Wet R.O.)- daartoe bevoegd. De uitleg die door de raadsman aan de door hem ingeroepen bepaling van de Regeling wordt gegeven berust kennelijk op een verkeerde lezing daarvan. Deze bepaling laat zich in verbinding met de in die bepaling vermelde artikelen van de Wet R.O. niet anders lezen, dan dat daarin een opsomming is gegeven van de rijksambtenaren die voor de vervulling van de taak van uitreiking van een gerechtelijk schrijven (artikel 587, tweede lid, Sv.) in aanmerking komen: naast de bij de gerechten werkzame ambtenaren (waaronder de griffier bij de rechtbank te Amsterdam) ook gerechtsauditeurs en rechterlijke ambtenaren in opleiding." 3.5. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging bezwaar gemaakt tegen de wijze van uitreiking, maar niet betwist dat het stuk dat aan de advocaat is overhandigd een oproeping is om ter terechtzitting te verschijnen teneinde in hoger beroep terecht te staan. Ter terechtzitting van 1 oktober 2007 is verdachte verschenen. Eventuele gebreken die aan de betekening kleven zijn aldus gedekt.(1) Reeds daarom faalt het middel bij gebrek aan belang. De opgeworpen vraag blijft echter van belang in die gevallen waarin verdachte noch een gemachtigd advocaat ter terechtzitting verschijnt en verdient daarom beantwoording. 3.6. Volgens het hof volgt uit de aanwijzing van ambtenaren van politie en functionarissen t.b.v. uitreiking en betekening van gerechtelijke stukken dat naast bij de gerechten werkzame ambtenaren ook gerechtsauditeurs en rechterlijke ambtenaren in opleiding door de minister zijn aangewezen voor de vervulling van de taak van uitreiking van een gerechtelijk schrijven en berust de uitleg van de regeling door de raadsman op een verkeerde lezing daarvan. 3.7. Art. 586 Sv bepaalt dat in alle gevallen waarin een gerechtelijke mededeling moet worden betekend, de betekening geschiedt door uitreiking van een gerechtelijk schrijven. Ingevolge art. 587 lid 2 Sv kan de uitreiking worden opgedragen aan een ambtenaar, aangesteld voor de uitvoering van de politietaak of een andere daartoe aangewezen ambtenaar of functionaris. In de aanwijzing van ambtenaren van politie en functionarissen t.b.v. uitreiking en betekening van gerechtelijke stukken heeft de minister van justitie daartoe verschillende ambtenaren en functionarissen aangewezen. Tot 2001 werd in deze regeling in het eerste artikel onder b nog gesproken van 'ambtenaren, werkzaam bij de parketten bij en de griffies van de gerechten'.(2) Bij besluit van 19 december 2001 is dit gewijzigd in 'ambtenaren, werkzaam bij de gerechten en genoemd in artikel 14, tweede lid, en artikel 145, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie' geworden.(3) Blijkens de toelichting op deze wijziging heeft de wetgever de regeling destijds geactualiseerd en de formulering afgestemd op de Wet RO, kennelijk zonder daarmee het toepassingsbereik te willen beperken.(4) De regeling spreekt in artikel 1 onder b aldus cumulatief van 'ambtenaren werkzaam bij de gerechten', gerechtsauditeurs en rechterlijke ambtenaren in opleiding. Met ambtenaren werkzaam bij de gerechten worden volgens artikel 1 aanhef en onder d van de Wet RO bedoeld burgerlijke rijksambtenaren op basis van een aanstelling werkzaam bij een gerecht , onder wie de griffier van de rechtbank Amsterdam kan worden begrepen. Gelet hierop getuigt het oordeel van het hof niet van een onjuiste rechtsopvatting, noch is het onbegrijpelijk. 4.1. Het tweede middel klaagt over schending van artikel 359 lid 2 Sv en artikel 6 lid 1 EVRM nu het hof volgens de steller van het middel in het geheel niet heeft gereageerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat met de gang van zaken rondom de uitreiking van de appèldagvaarding sprake is van onaanvaardbare vermenging van functies, danwel dat niet meer gesproken kan worden van een onafhankelijk en onpartijdig gerecht. 4.2. Het verweer van de raadsman houdt volgens het hof kort en zakelijk samengevat het volgende in: "Bovendien is de uitreiking van de dagvaarding nietig omdat dagvaarden als daad van vervolging is voorbehouden aan ambtenaren die bij het openbaar ministerie werkzaam zijn. Nu de dagvaarding om in hoger beroep te verschijnen is uitgereikt door een griffier heeft een onaanvaardbare vermenging van functies plaatsgevonden, hetgeen meebrengt dat de onderhavige wijze van dagvaarden in strijd komt met artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), aldus de raadsman." 4.3. Het hof heeft naar aanleiding van het verweer van de raadsman, voor zover van belang, het volgende overwogen: "Het hof verwerpt deze verweren en overweegt daartoe het volgende. Uit de akte van uitreiking, bezien in samenhang met de "akte instellen rechtsmiddel" moet worden afgeleid dat de dagvaarding op de voet van art. 408a Sv. jo. art.