ECLI:NL:PHR:2010:BM9420
[betrokkene = verdachte]
1. De Politierechter in de Rechtbank te Maastricht heeft bij vonnis van 30 november 2007 betrokkene vrijgesproken van het hem tenlastegelegde en onttrekking aan het verkeer van onder meer drie in beslag genomen personenauto's bevolen.
2. Namens betrokkene heeft mr. G.J.J.A. van Zeijl, advocaat te Maastricht, een cassatieschriftuur ingezonden.
3. Gelet op het procesverloop in deze zaak, stel ik alvorens de schriftuur te bespreken, de ontvankelijkheid van het cassatieberoep aan de orde.
4. Het proces is, voor zover hier van belang, als volgt verlopen:
- Aan betrokkene is tenlastegelegd dat hij, kort gezegd, drie auto's heeft verworven, voorhanden gehad of overgedragen, terwijl hij redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen auto('s) betrof.
- Op 12 april 2006 zijn onder meer deze auto's in beslag genomen. Tegen het beslag is namens verdachte een klaagschrift ex art. 552a Sv ingediend. De enkelvoudige raadkamer in de Rechtbank te Maastricht heeft het klaagschrift bij beschikking van 2 november 2006 ongegrond verklaard.
- In de hoofdzaak heeft de Politierechter betrokkene bij voornoemd vonnis van 30 november 2007 vrijgesproken van het tenlastegelegde. Ten aanzien van het beslag heeft de rechter onder meer vastgesteld dat een strafbaar feit is begaan en kennelijk op grond van art. 36b lid 1 onder 3 Sr onttrekking aan het verkeer van zeven kentekenbewijzen en drie auto's opgelegd.
- Op 4 december 2007 is namens verdachte tegen de einduitspraak van 30 november 2007 hoger beroep ingesteld omdat hij, zo blijkt uit het formulier 'hoger beroep', het niet eens is met de onttrekking aan het verkeer.
5. Bij arrest van 9 december 2008 heeft het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch het ingestelde hoger beroep als volgt beoordeeld:
"i
Blijkens het bepaalde bij artikel 404, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, staat voor de verdachte, die van de gehele tenlastelegging is vrijgesproken, geen hoger beroep open.
ii
Met betrekking tot het door de verdachte ingestelde hoger beroep overweegt het hof het volgende.
Degene die tegen een vonnis een rechtsmiddel instelt moet in het algemeen geacht worden het conform de wet openstaande rechtsmiddel te hebben willen aanwenden.
iii
In het onderhavige geval, dat zich daardoor kenmerkt dat de verdachte van de gehele tenlastelegging is vrijgesproken met onttrekking aan het verkeer van in beslag genomen voorwerpen, stond voor de verdachte beroep in cassatie open.
iv
Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan de hierboven onder ii weergegeven regel uitzondering zou moeten lijden. (...)"
6. Op grond van deze beoordeling heeft het Hof het ingestelde hoger beroep verstaan als cassatie en bevolen dat de stukken zullen worden gezonden aan de griffier aan de Hoge Raad, zoals is geschied.
7. Het Hof heeft mijns inziens terecht geoordeeld dat, nu betrokkene in eerste aanleg van de gehele tenlastelegging is vrijgesproken, art. 404 lid 1 Sv aan het ingestelde hoger beroep in de weg staat.(1) Ook zijn oordeel dat tegen het vonnis beroep in cassatie openstaat, komt mij juist voor. Ingevolge de leden 1 en 5 van art. 78 RO kan een partij immers beroep in cassatie instellen tegen onder meer arresten en vonnissen van hoven en rechtbanken, tenzij voor haar een ander gewoon rechtsmiddel openstaat of heeft opengestaan, quod non in de onderhavige zaak. De uitzonderingen die op deze regel met betrekking tot vonnissen zijn gemaakt in de leden 2 en 3 van art. 78 RO en in art. 404 lid 4 Sv zijn in casu niet van toepassing. Het Hof heeft het hoger beroep dus terecht verstaan als beroep in cassatie.(2)
8. Afgaande op de Akte rechtsmiddel van 4 december 2007 is het cassatieberoep onbeperkt ingesteld en richt het zich dus ook tegen de gegeven vrijspraak. Een reden voor een partiële niet-ontvankelijkheid levert dat sinds de schrapping van art. 430 Sv niet meer op. Sinds die wetswijziging pleegt de Hoge Raad een onbeperkt cassatieberoep dat zich mede tegen een vrijspraak richt, niet meer beperkt op te vatten als de in de schriftuur geformuleerde klachten zich niet tegen de vrijspraak richten.(3) Veel maakt dat voor de verdachte niet uit omdat, als de middelen slagen, de vernietiging zich niet tot de gegeven vrijspraak pleegt uit te strekken. Gelet daarop is er mijns inziens geen reden om het onbeperkt ingestelde hoger beroep alleen te converteren in cassatieberoep voor zover dat hoger beroep zich richt tegen de beslissingen tot onttrekking aan het verkeer. Dat heeft het Hof ook niet gedaan.
9. Dan kom ik nu toe aan de schriftuur. Die bestaat deels uit een feitelijk betoog dat de aard van de cassatieprocedure miskent.(4) Als middelen worden voorgesteld "schending van het recht en/of verzuim van vormen op straffe van nietigheid voorgeschreven, alsmede voorts schending van de rechterlijke onderzoeksplicht en onvoldoende en/of onbegrijpelijke motiveren, mede gelet op de door de verdediging voorgedragen verweren". Uit de toelichting op deze formule destilleer ik de drie volgende klachten.
10. Ten eerste klaagt de steller van het middel dat de Jaguar E-type V12 Road(5) en de Porsche 356b 1600, beide oldtimers voorzien van een vals voertuigidentificatienummer (VIN), aan het verkeer worden onttrokken vanwege de relatie met een ander strafbaar feit dan het tenlastegelegde feit.
11. Betrokkene is vrijgesproken van de tenlastegelegde schuldheling. Ten aanzien van het beslag heeft de Politierechter in zijn vonnis overwogen dat er door de valselijk ingeslagen VINs sprake is van een situatie die kan worden aangeduid als het aanbrengen dan wel gebruiken van een merk als bedoeld in respectievelijk art. 219 en art. 220 Sr. Hierin heeft de Politierechter een (strafbaar) feit in de zin van art. 36b lid 1 onder 3 en art. 36c Sr gezien.
12. De klacht dat dit ongeoorloofd is, omdat het feit als bedoeld in art. 36b Sr in relatie zou moeten staan met hetgeen is tenlastegelegd, berust op een onjuiste rechtsopvatting. Voor onttrekking aan het verkeer op grond van art. 36b lid onder 3 Sr is niet meer vereist dan dat bij de rechterlijke uitspraak waarbij de maatregel wordt opgelegd is vastgesteld dat er enig strafbaar feit is begaan,(6) tussen welk feit en het inbeslaggenomen voorwerp uiteraard wel een verband moet bestaan als bedoeld art. 36c Sr. Derhalve faalt het middel.
13. De tweede klacht luidt dat de Politierechter heeft miskend dat de bovengenoemde Jaguar "gelegaliseerd" kan worden, waarmee de steller van het middel bedoelt dat de RDW de auto weer kan voorzien van het originele VIN, dat bekend is, zodat de auto aan het verkeer zou kunnen deelnemen zonder de opsporing van fraude en bedrog met auto's te belemmeren.
14. Uit de aan het proces-verbaal van de terechtzitting van de Politierechter op 16 november 2007 gehechte pleitnotities blijkt dat de raadsman van betrokkene hieromtrent slechts heeft aangevoerd dat van ongecontroleerd bezit geen sprake is "nu de RDW er aan te pas is gekomen of nog kan komen" en dat "desnoods een nieuw chassisnummer wordt toegewezen". Dat is wat anders dan het opnieuw voorzien van de auto van het originele VIN. Aan dat voor het eerst in cassatie gevoerde, met "nieuwe feiten" onderbouwde verweer, zal in cassatie voorbijgegaan moeten worden.
15. Voor zover de steller van het middel stelt dat het oordeel van de Politierechter, dat een auto met een vals VIN kan dienen tot belemmering van de opsporing van fraude en bedrog ten aanzien van auto's, onbegrijpelijk is, geldt het volgende. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat het ongecontroleerde bezit van voortuigen voorzien van een vals nummer afbreuk doet aan een effectieve voorkoming en bestrijding van de handel in gestolen auto's.(7) Derhalve faalt de tweede klacht in beide onderdelen.
16.