Rechtspraak Parket bij de Hoge Raad 2016-05-31
ECLI:NL:PHR:2016:541
Strafrecht
[verdachte] De verdachte is bij arrest van 17 december 2014 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens het bewezenverklaarde onder 1 “overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994” en onder 2 “overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a, van de Wegenverkeerswet 1994” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand. Tevens is hem ter zake van elk van beide feiten de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen ontzegd voor de duur van (telkens) vier maanden. Wegens het bewezenverklaarde onder 3 “overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994” is bepaald dat geen straf of maatregel wordt opgelegd. Namens de verdachte heeft mr. R.P. Snorn, advocaat te Heerenveen, een middel van cassatie voorgesteld. Het middel klaagt dat het hof ten bezware van de verdachte op stukken acht heeft geslagen die niet ter terechtzitting zijn voorgelezen of waarvan de korte inhoud de verdachte is meegedeeld. Ten laste van verdache is bewezenverklaard dat: “1. hij op 9 februari 2013 te Apeldoorn, terwijl hij wist dat hem bij rechterlijke uitspraak of strafbeschikking de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen was ontzegd, gedurende de tijd dat hem die bevoegdheid was ontzegd, op de weg, de Vosselmanstraat, een motorrijtuig, (personenauto), heeft bestuurd. 2. hij op 9 februari 2013 te Apeldoorn als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 875 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en verdachte dit motorrijtuig heeft bestuurd zonder rijbewijs. 3. hij op 9 februari 2013 te Apeldoorn als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, de Vosselmanstraat, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116, lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen waartoe dat motorrijtuig behoorde.” 5. De aantekening van het mondeling arrest in het proces-verbaal van terechtzitting bevat ten aanzien van de bewijsmiddelen het volgende: “Vermelding van de bewijsmiddelen, voor zover deze tot het bewijs van het aan de verdachte ten laste gelegde dienen: 1. Een schriftelijk stuk, houdende een door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] op 9 februari 2013 opgemaakt proces-verbaal van aanhouding, opgenomen in de pagina’s 6 en 7 van een dossier van de politie Noord- en Oost Gelderland met het kenmerk PL062B 2013020081. 2. Een schriftelijk stuk, houdende een door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] op 26 februari 2013 opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, opgenomen in de pagina’s 8 en 9 van het hierboven onder 1 genoemde dossier. 3. Een schriftelijk stuk, houdende een door de verbalisant [verbalisant 2] op 26 februari 2013 opgemaakt proces-verbaal van misdrijf, opgenomen in de pagina’s 12 t/m 14 van het hierboven onder 1 genoemde dossier. 4. Een schriftelijk stuk, houdende een ademanalyseformulier, opgenomen in pagina 15 van het hierboven onder 1 genoemde dossier. 5. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van het hof van 17 december 2014. De inhoud van de hierboven onder 1 t/m 5 genoemde bewijsmiddelen leveren op de redengevende feiten en omstandigheden, op grond waarvan de voorzitter wettig en overtuigend bewezen acht dat de verdachte het aan hem als voormeld ten laste gelegde heeft begaan zoals hierna te melden.” 6. Het proces-verbaal van de terechtzitting op 17 december 2014 bevat, voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, het volgende: “De verdachte verklaart, zakelijk weergegeven: Het gaat mij op de gevangenisstraf die de politierechter aan mij heeft opgelegd. Ik beken de feiten die aan mij zijn ten laste gelegd. (…) De verdachte verklaart op de vragen van de voorzitter, zakelijk weergegeven: (…) De volgens het uittreksel uit de justitiële documentatie openstaande zaak van het rijden onder invloed is al afgedaan met een taakstraf van tachtig uren. (…) De raadsvrouw voert ter verdediging aan, zakelijk weergegeven: (…) Cliënt beseft dat hij heel fout is geweest, maar wil er een streep onder zetten. (…) Het gaat in deze strafzaak om een ouder feit. Het strafblad van cliënt is de laatste tijd betrekkelijk rustig. Ik bepleit de oplegging van een taakstraf of een verdubbeling van de opgelegde ontzegging van de rijbevoegdheid, dan wel een fikse voorwaardelijke gevangenisstraf met een fikse proeftijd. Cliënt rijdt nu niet meer. Ik pleit er voor hem een laatste kans te geven. Aan de verdachte wordt het recht gelaten als laatste te spreken. De verdachte verklaart in dit kader, zakelijk weergegeven: (…) Ik ga zoiets niet meer doen.” 7. Voorts bevat de aantekening van het bestreden mondeling arrest ten aanzien van de strafmotivering het volgende: “De voorzitter heeft de in hoger beroep op te leggen straf bepaald op grond van de aard en de ernst van het delict, de omstandigheden waaronder dit delict is begaan en de persoon van de verdachte. De voorzitter stelt vast dat uit het uittreksel uit de justitiële documentatie blijkt dat de verdachte in de maand juni 2014 weer in de fout is gegaan door te rijden onder invloed. Het belang van de verdachte dat is gelegen in het kunnen blijven volgen van zijn opleiding was toen ook geen nieuwe omstandigheid. Dan rest geen andere conclusie dan dat de verdachte het heeft verbruid. Op grond hiervan acht de voorzitter de door de advocaat-generaal gevorderde straf, die ook door de politierechter aan de verdachte was opgelegd, noodzakelijk en geboden en legt die aan de verdachte opleggen.” 8. Voor de beoordeling van het middel is het volgende van belang. Artikel 301, vierde lid, Sv, dat in hoger beroep van overeenkomstige toepassing is op grond van art. 415 Sv, bepaalt dat ten bezware van de verdachte geen acht wordt geslagen op stukken die niet zijn voorgelezen of waarvan de korte inhoud niet overeenkomstig het derde lid is meegedeeld. Deze bepaling strekt ertoe dat de verdachte niet wordt geconfronteerd met stukken die hij niet kent en die nadelig voor hem zijn. Onder dergelijke stukken moeten worden verstaan stukken die van invloed kunnen zijn op het bewijs van het tenlastegelegde, de strafbaarheid van het bewezene en van de verdachte of de oplegging van straf of maatregel. Op grond van het bepaalde in art. 417, eerste lid, Sv mogen stukken welke in eerste aanleg zijn voorgelezen ook voor de behandeling in hoger beroep als voorgelezen worden aangemerkt. 9. De behandeling van de onderhavige zaak heeft in eerste aanleg bij verstek plaatsgevonden. Een proces-verbaal van de terechtzitting waarop de zaak inhoudelijk is behandeld, bevindt zich niet bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken. Er staat derhalve niet vast dat de door het hof voor het bewijs gebezigde bewijsmiddelen in eerste aanleg op de wijze als vermeld in art. 301 Sv zijn voorgelezen dan wel dat daarvan de korte inhoud is meegedeeld. 10. In het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof is niet met zoveel woorden opgenomen dat er bepaalde stukken zijn voorgelezen dan wel dat de korte inhoud van die stukken is vermeld. Blijkens dat proces-verbaal heeft de behandeling van het hoger beroep zich geconcentreerd op de door de verdediging opgegeven bezwaren met betrekking tot de door de politierechter opgelegde gevangenisstraf.