Rechtspraak Parket bij de Hoge Raad 2020-06-30
ECLI:NL:PHR:2020:524
Strafrecht
A.E. Harteveld In de zaak [klaagster] , gevestigd te [plaats] , hierna: de klaagster. 1Inleiding 1.1. De rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, heeft bij beschikking van 13 september 2019 het klaagschrift ex art. 552a Sv ongegrond verklaard. 1.2. Er bestaat samenhang met de zaak met nr. 19/04742. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen. 1.3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de klaagster en mr. Th.J. Kelder, advocaat te 's‑Gravenhage, en mr. P. Uijtdewillegen, advocaat te Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld. 2Eerste middel 2.1. Het middel klaagt dat het klaagschrift ten onrechte niet is behandeld en de bestreden beschikking ten onrechte niet is gewezen door een economische raadkamer. 2.2. Uit de stukken van het geding blijkt, voor zover hier van belang, het volgende: (i) Op 21 maart 2019 heeft een senior inspecteur van de Inspectie Leefomgeving en Transport in een aan klaagster gerichte vordering op grond van art. 18 WED de uitlevering gevorderd van alle bescheiden die betrekking hebben op de import van distikstofoxide (lachgas) gedurende de jaren 2017, 2018 en 2019 tot heden, uit landen die niet behoren bij de Europese Economische Ruimte (EER) door bedrijven waarbij medeklager [medeklager] betrokken is of is geweest. De vordering houdt onder meer in dat “er sprake [was] van een aanwijzing dat er een strafbaar feit (economisch delict) was gepleegd, zijnde overtreding van artikel 5 en 6 van de Reach-verordening”. (ii) De gevorderde bescheiden zijn op 3 april 2019 namens de klaagster toegezonden aan de senior inspecteur van de Inspectie Leefomgeving en Transport. (iii) Op 3 april 2019 is tevens namens de klaagster een klaagschrift ex art. 552a Sv ingediend dat strekt tot opheffing van het beslag en teruggave van de bescheiden. Het strekt er tevens toe dat van de bescheiden geen kennis wordt genomen en dat deze niet worden gebruikt. (iv) Het klaagschrift is op 6 september 2019 behandeld in openbare raadkamer. Vervolgens heeft de rechtbank bij beschikking van 13 september 2019 het klaagschrift ongegrond verklaard. Deze beschikking houdt, voor zover hier van belang, het volgende in: “Op 25 januari 2019 vindt er bij de opslagplaats van [klaagster] te [plaats] een hercontrole plaats door onder meer [betrokkene 1] van de Inspectie Leefomgeving en Transport in verband met de opslag van gasflessen met lachgas. Tijdens de controle wordt de vraag gesteld of er ook lachgas uit China is geïmporteerd. Een van de aandeelhouders laat weten dat één keer lachgas uit China is geïmporteerd. De factuur hiervan wordt op verzoek van [betrokkene 1] aan hem gemaild. In reactie daarop laat [betrokkene 1] per mail van 20 februari 2019 weten dat hij moet overleggen met de officier van justitie of deze een proces-verbaal wil ontvangen omdat sprake is van een kernovertreding van de Reachverordening. Vervolgens vraagt [betrokkene 1] per mail van 1 maart 2019 om te bevestigen of het bij deze ene keer is gebleven. Hij merkt daarbij op dat hij het voor elkaar kan krijgen dat het bij een waarschuwing blijft. Hij schrijft verder dat het verzwijgen van eventuele andere importen, als dat later bekend wordt, naast een proces-verbaal voor de import ook een proces-verbaal voor valsheid in geschrifte op zal leveren. Bij mail van 4 maart 2019 bevestigt klager namens [klaagster] , nu eerlijkheid het langst duurt, dat daarvan inderdaad sprake is geweest. Vervolgens heeft [betrokkene 1] verzocht om de facturen te zien van alle import uit China. Na de mededeling van de advocaat van klager dat deze facturen alleen zullen worden overgelegd op vordering, heeft [betrokkene 1] op 21 maart 2019 een vordering ingevolge artikel 18 WED gedaan. (…) De raadkamer stelt vast dat het [betrokkene 1] dan wel de Inspectie na 20 februari 2019 duidelijk is geworden dat door [klaagster] is gehandeld in strijd met de Reachverordening, zodat er ten aanzien van [klaagster] een redelijk vermoeden van schuld is ontstaan dat het bedrijf zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit.” 2.3. Aan het middel is ten grondslag gelegd dat het klaagschrift op grond van art. 38 WED in verbinding met art. 21 Sv door de economische raadkamer had moeten worden behandeld, aangezien de zaak betrekking heeft op een verdenking ter zake van overtreding van (art. 6 van) de REACH-verordening en die overtreding op grond van art. 9.3.3., tweede lid, Wet milieubeheer in verbinding met art. 1a, onder 2, WED een economisch delict oplevert. 2.4. In de toelichting op het middel wordt verwezen naar HR 27 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB8752, NJ 2007/649. Daarin overwoog de Hoge Raad, voor zover hier van belang, het volgende: “4.1. Het middel behelst de klacht dat de zaak in strijd met onder meer art. 38 Wet op de economische delicten (WED) niet door de economische kamer van de Rechtbank is behandeld die bevoegd is vanwege de pretense overtreding van een economisch delict. 4.2. Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende bepalingen van belang: Art. 52 RO: "1. Het bestuur vormt voor het behandelen en beslissen van zaken betreffende economische delicten enkelvoudige en meervoudige kamers onder de benaming van economische kamers. Het bestuur bepaalt de bezetting van deze kamers. 2. Degene die zitting heeft in een enkelvoudige economische kamer draagt de titel van economische politierechter." Art. 38 WED: "De kennisneming van economische delicten in eerste aanleg is bij uitsluiting opgedragen aan de rechtbank. Economische delicten worden behandeld en beslist door de economische kamers van de rechtbank, bedoeld in artikel 52 van de Wet op de rechterlijke organisatie." Art. 46 WED, welke bepaling tot de inwerkingtreding op 1 januari 1994 van de wet van 8 november 1993 (Stb. 591), luidde: "In zaken betreffende economische delicten treedt, behoudens het bepaalde in de artikelen 371 en 488 van het Wetboek van Strafvordering, als raadkamer een meervoudige economische kamer op." Art. 64 RO, dat op de gerechtshoven betrekking heeft: "Het bestuur vormt voor het behandelen en beslissen van zaken waarin door de economische kamers van de rechtbanken vonnis is gewezen dan wel een bevel of een beschikking is gegeven, enkelvoudige en meervoudige kamers onder de benaming van economische kamers. Het bestuur bepaalt de bezetting van deze kamers." Art. 53 WED, dat op de gerechtshoven betrekking heeft: "1. In zaken betreffende economische delicten treedt als raadkamer een economische kamer op. 2. De behandeling door de raadkamer vindt plaats in het openbaar." 4.3. Met de inwerkingtreding van de onder 4.2 genoemde wet is art. 46 WED, zoals hiervoor weergegeven, komen te vervallen. De totstandkomingsgeschiedenis van die wet bevat geen aanwijzing dat de wetgever heeft beoogd op rechtbankniveau de economische kamers niet langer als raadkamers te laten functioneren. De omstandigheid dat art. 53 WED bepaalt dat op hofniveau de economische kamers als raadkamers optreden, wijst op het tegendeel. Dit zou anders zijn indien de wetgever zou hebben uiteengezet dat en waarom op rechtbankniveau de economische kamers niet meer als raadkamers zouden moeten optreden. 4.4. In art. 38 WED wordt de kennisneming van economische delicten bij uitsluiting opgedragen aan de rechtbank en wordt de behandeling en beslissing van economische delicten voorbehouden aan economische kamers. Onder economische kamers worden gelet op de desbetreffende verwijzing in art. 38 WED (na de inwerkingtreding van de wet van 21 december 2001, Stb. 2002, 1) de krachtens art. 3.1. Het eerste middel slaagt. Gelet daarop behoeft het tweede middel geen bespreking. Indien de Hoge Raad anders oordeelt, dan ben ik, indien de Hoge Raad dat wenst, uiteraard bereid aanvullend te concluderen. 3.2. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven. 3.3. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Overijssel teneinde op het bestaande klaagschrift opnieuw te worden behandeld en afgedaan. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG Opmerking AG: Bij de op 11 augustus 2016 in werking getreden Wet implementatie verordening en richtlijn marktmisbruik (Stb. 2016, 297) is art. 38 WED gewijzigd. Daarbij is de bestaande tekst aangeduid als het eerste lid en is aan deze bepaling een tweede lid toegevoegd.
Toegepaste wetsartikelen
- Artikel 9.3.3 — Wet milieubeheer
- Artikel 64 — Wet op de rechterlijke organisatie
- Artikel 53 — Wet op de economische delicten
- Artikel 46 — Wet op de economische delicten
- Artikel 18 — Wet op de economische delicten
- Artikel 52 — Wet op de rechterlijke organisatie
- Artikel 38 — Wet op de economische delicten
- Artikel 21 — Wetboek van Strafvordering