Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2021-03-05
ECLI:NL:PHR:2021:237
Civiel recht
2,398 tokens
Conclusie
F.F. Langemeijer
In de zaak van
[betrokkene]
tegen
Officier van Justitie Amsterdam
In deze Wvggz-zaak wordt in cassatie geklaagd over het ontbreken van een proces-verbaal en over ontoereikende motivering van de verwerping van het in eerste aanleg gevoerde verweer. Tijdens de cassatieprocedure is het proces-verbaal nagezonden.
Feiten
1.1
Ten aanzien van verzoekster tot cassatie (hierna: betrokkene) is een crisismaatregel genomen op de voet van art. 7:1 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). Op 8 september 2020 heeft de rechtbank Amsterdam machtiging verleend tot voortzetting van de crisismaatregel (art. 7:7 e.v. Wvggz).
1.2
Bij verzoekschrift, ter griffie ingekomen op 25 september 2020, heeft de officier van justitie aan de rechtbank verzocht een op de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel aansluitende zorgmachtiging te verlenen voor de duur van zes maanden, voor de in het verzoekschrift voorgestelde vormen van verplichte zorg (art. 7:11 Wvggz). Bij het verzoekschrift is onder meer een medische verklaring overgelegd, op 16 september 2020 opgemaakt door een niet bij de behandeling betrokken psychiater. In rubriek 4.e is de diagnose beschreven, die in rubriek 4.f is gerubriceerd onder: “schizofreniespectrum- en andere psychotische stoornissen”. Verder is een op 11 september 2020 opgesteld zorgplan overgelegd.
1.3
Op 20 oktober 2020 heeft de rechter het verzoek mondeling behandeld in de instelling waar betrokkene op dat moment verbleef. De rechter heeft betrokkene, haar advocaat en twee artsen gehoord.
1.4
Bij mondelinge beschikking van 20 oktober 2020, schriftelijk uitgewerkt op 22 oktober 2020, heeft de rechtbank ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend voor het tijdvak tot en met 20 april 2021. De rechtbank heeft eerst vastgesteld dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis en dat deze stoornis leidt tot ernstig nadeel (rov. 2.1 – 2.2). De rechtbank heeft vervolgens beoordeeld of voldaan is aan de criteria voor en de doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz. Zij stelde vast dat dit het geval is (rov. 2.10).
1.5
De rechtbank heeft de volgende vormen van verplichte zorg bepaald:
- toedienen van medicatie (voor de duur van zes maanden);
- het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening (voor de duur van zes maanden);
- beperken van de bewegingsvrijheid (voor de duur van drie maanden);
- insluiten (voor de duur van drie maanden);
- uitoefenen van toezicht op betrokkene (voor de duur van drie maanden);
- onderzoek aan kleding of lichaam (voor de duur van drie maanden);
- onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag-beïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen (voor de duur van zes maanden);
- aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen (voor de duur van zes maanden);
- opnemen in een accommodatie (voor de duur van drie maanden).
1.6
Namens betrokkene is op 20 januari 2021 − tijdig − beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.
2Bespreking van het cassatiemiddel
2.1
Het middel bevat twee onderdelen. Onderdeel 1 bevat de klacht dat de rechtbank ten onrechte geen proces-verbaal heeft opgemaakt van de mondelinge behandeling op 20 oktober 2020. Daarmee heeft de rechtbank volgens het middelonderdeel in strijd gehandeld met het bepaalde in art. 279 lid 4 Rv, art. 290 lid 2 Rv en art. 5 EVRM, alsmede met hetgeen is overwogen in HR 20 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3336. Ter toelichting op deze klacht is aangevoerd, samengevat, dat de advocaat van betrokkene de rechtbank op 4, 15 en 20 januari 2021 vergeefs heeft verzocht om tijdig vóór het verstrijken van de cassatietermijn het proces-verbaal van de mondelinge behandeling te verstrekken. Volgens de klacht kan de beschikking van de rechtbank reeds om deze reden niet in stand blijven.
2.2
In de zaak die heeft geleid tot voormelde beschikking van de Hoge Raad van 20 november 2015 werd geklaagd dat de rechtbank niet had willen voldoen aan het herhaalde verzoek om een afschrift van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling te verstrekken. Volgens de klacht had de rechtbank aldus in strijd gehandeld met het bepaalde in art. 290 lid 2 Rv, alsook met art. 5 EVRM. De betrokkene verzocht toen primair de bestreden beschikking te vernietigen en de zaak terug te wijzen naar de rechtbank met de opdracht alsnog een afschrift van het proces-verbaal te verstrekken. Zijn subsidiaire verzoek strekte tot het mogen aanvullen van het cassatiemiddel zodra alsnog afschrift van het proces-verbaal is ontvangen. De Hoge Raad overwoog als volgt:
“3.3.1 Ingevolge art. 279 lid 4 Rv wordt van het ter mondelinge behandeling verhandelde en van de zakelijke inhoud van de afgelegde verklaringen een proces-verbaal opgemaakt. Art. 290 lid 2 Rv bepaalt dat de griffier zo spoedig mogelijk een afschrift van processen-verbaal verstrekt aan de verzoeker en aan de in de procedure verschenen belanghebbenden. Deze voorschriften strekken onder meer ertoe dat de verzoeker of een belanghebbende de inhoud van een proces-verbaal kan betrekken bij zijn beslissing of en, zo ja, op welke gronden hij een rechtsmiddel zal instellen. Dit brengt mee dat het verstrekken van een afschrift van een proces-verbaal niet afhankelijk mag worden gesteld van het al dan niet zijn ingesteld van een rechtsmiddel. Aan een verzoek tot afgifte van een proces-verbaal door een advocaat die verklaart daaraan behoefte te hebben omdat wordt overwogen een rechtsmiddel tegen de beslissing in te stellen, dient dan ook onverwijld te worden voldaan.
Aan voormelde voorschriften komt extra gewicht toe in zaken waarin de beslissing strekt tot vrijheidsbeneming (vgl. HR 14 februari 1986, ECLI:NL:HR:1986:AG5193, NJ 1986/400).
3.3.2
In het aanvullend verzoekschrift heeft de advocaat van betrokkene vermeld dat het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 31 juli 2015 – daags na het verstrijken van de cassatietermijn – alsnog is verstrekt en heeft zij de gronden van het cassatiemiddel aangevuld. Nu betrokkene tot het indienen van dit aanvullend verzoekschrift is toegelaten, kan het onderdeel wegens gebrek aan belang niet tot cassatie leiden.”
2.3
In cassatie kan ervan worden uitgegaan dat in deze zaak vóór het verstrijken van de cassatietermijn geen afschrift van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 20 oktober 2020 aan de advocaat van betrokkene is verstrekt. Niet duidelijk is waarom dit, ondanks herhaald verzoek, niet is gebeurd. Het proces-verbaal is inmiddels wel opgemaakt. Blijkens het correspondentiedossier heeft de griffie van de Hoge Raad bij brief van 26 januari 2021 een kopie van het proces-verbaal toegezonden aan de cassatieadvocaat van betrokkene, waarbij tot en met 4 februari 2021 gelegenheid werd gegeven om op dit document te reageren. De cassatieadvocaat heeft hierop aan de griffie van de Hoge Raad bericht dat hij geen aanleiding ziet voor een aanvulling van het cassatiemiddel op basis van het proces-verbaal.
2.4
Het betoog dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven omdat het proces-verbaal van de mondelinge behandeling niet tijdig is verstrekt, treft geen doel. De advocaat van betrokkene heeft in het cassatieverzoekschrift een voorbehoud gemaakt tot aanvulling van het cassatiemiddel indien het (op dat moment nog op te maken) proces-verbaal daartoe aanleiding mocht geven. Een afschrift van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 20 oktober 2020 is alsnog verstrekt. Een aanvulling van het cassatiemiddel is uitgebleven. Om deze reden kan dit middelonderdeel wegens gebrek aan belang niet tot cassatie leiden.
2.5
Onderdeel 2 is gericht tegen rov. 2.9.
Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
plv.
Na het nemen van de crisismaatregel is betrokkene opgenomen in een accommodatie van Stichting Arkin.
De rechtbank heeft het verzoek om ook (i) toedienen van vocht en voeding en (ii) het controleren op de aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen als verplichte vormen van zorg in de zorgmachtiging op te nemen, afgewezen. Zie rov. 2.6 en het dictum.
In het verzoekschrift tot cassatie is op blz. 3 een voorbehoud gemaakt tot aanvulling van het cassatiemiddel indien het opgevraagde proces-verbaal van de mondelinge behandeling daartoe aanleiding geeft. Van dat voorbehoud is geen gebruik gemaakt.
Zie het bericht dat op 28 januari 2021 om 17.35 uur is ingekomen via het portaal.
Het onderdeel verwijst naar HR 4 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0986, NJ 1993/659 m.nt. D.W.F. Verkade en HR 29 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2376, NJ 2001/495.