Rechtspraak Rechtbank Almelo 2005-06-22
ECLI:NL:RBALM:2005:AT9100
Civiel recht
RECHTBANK ALMELO zaaknummer: 66851 ha za 921 van 2004 datum uitspraak vonnis: 22 juni 2005 (mvw) Vonnis van de rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, in de zaak van: [EISER], wonende te Hengelo, eiser, verder te noemen: [Eiser], procureur: mr. D.P. Kant, tegen 1. [GEDAAGDE 1], 2. [GEDAAGDE 2], beiden wonende te Hengelo, gedaagden, verder gezamenlijk te noemen: [Gedaagden], procureur: mr. J.A.D.M. Daniëls. Het procesverloop De rechtbank heeft een tussenvonnis gewezen op 8 december 2004. De rechtbank neemt hier over hetgeen in dat tussenvonnis over het procesverloop is overwogen. In het tussenvonnis is een comparitie ter plaatse gelast, die op 1 maart 2005 is gehouden. Van deze comparitie is proces-verbaal opgemaakt dat zich bij de stukken bevindt. Voorafgaand aan de comparitie heeft [Eiser] bij brief van 26 januari 2005 een taxatierapport overgelegd. Deze brief wordt geacht aan het proces-verbaal van de comparitie te zijn gehecht en deel uit te maken van het procesdossier. Na de comparitie hebben partijen geconcludeerd in repliek en dupliek. Vervolgens hebben zij vonnis gevraagd. De uitspraak van dit vonnis is bepaald op vandaag. 1. De rechtbank neemt hier over hetgeen zij in het genoemde tussenvonnis heeft overwogen en beslist. 2. Het bouwplan van [Gedaagden] zou volgens [Eiser] in eerste instantie onrechtmatig zijn omdat in de te realiseren aanbouw vensteropeningen worden gemaakt op minder dan twee meter afstand van de erfgrens. 3.1 Naar het oordeel van de rechtbank is een dergelijke onrechtmatigheid niet gelegen in artikel 5:50 van het Burgerlijk Wetboek. Dit artikel luidt, voor zover relevant: “1. Tenzij de eigenaar van het naburige erf daartoe toestemming heeft gegeven, is het niet geoorloofd binnen twee meter van de grenslijn van dit erf vensters of andere muuropeningen, dan wel balkons of soortgelijke werken te hebben, voor zover deze op dit erf uitzicht geven. (…) 3. De in dit artikel bedoelde afstand wordt gemeten rechthoekig uit de buitenkant van de muur daar, waar de opening is gemaakt, of uit de buitenste naar het naburige erf gekeerde rand van het vooruitspringende werk tot aan de grenslijn der erven of de muur.” [Eiser] voert aan, dat deze bepaling ook vensters verbiedt die niet een rechtstreeks, dat wil zeggen voor het venster staand rechtuit kijkend, maar ook een zijdelings, dat wil zeggen voor het venster staand schuin kijkend, uitzicht bieden op het aangrenzende erf inclusief de woning. 3.2 Uit de wetsgeschiedenis volgt echter dat deze bepaling slechts vensters verbiedt die een rechtstreeks uitzicht bieden (Parlementaire geschiedenis van het nieuwe Burgerlijk Wetboek, boek 5, Zakelijke rechten, bladzijden 202 tot en met 206). Om te beginnen bevatte het oorspronkelijke concept van deze bepaling, zoals opgenomen in het Ontwerp Meijers (artikel 5.4.12), een verbod dat expliciet was beperkt tot ramen met een rechtstreeks uitzicht: “ 1. Het handhaven binnen twee meter afstand van de grenslijn der erven van vensters of andere muuropeningen en van balkons of andere soortgelijke werken, die aan de eigenaar van het gebouw een rechtstreeks uitzicht geven op het naburige erf, is onrechtmatig, nadat de eigenaar van dat erf zich tegen de aanwezigheid van die openingen of werken heeft verzet.” In de Toelichting Meijers wordt deze keuze gemotiveerd: “Het in het artikel vervatte verbod is in navolging van artikel 146 ontwerp 1898 tot het rechtstreekse uitzicht beperkt en wel wegens het in de toelichting op laatstgenoemd artikel opgegeven motief. Sinds in de grote steden van iedere handbreedte grond partij moet worden getrokken, terwijl de gewoonte om veranda’s of serres aan te brengen, schier algemeen is en het toetreden van licht en lucht een volksbelang is, is het handhaven van het verbod van zijdelings uitzicht niet meer te rechtvaardigen.” Het daarop volgende gewijzigde regeringsontwerp van deze bepaling, ging eveneens uit van een verbod van ramen die een rechtstreeks uitzicht boden: “ 1. Het handhaven binnen twee meter afstand van de grenslijn van eens anders erf van vensters of andere muuropeningen of van balkons of andere soortgelijke werken, die recht naar voren uitzicht geven op dat erf, is onrechtmatig, nadat de eigenaar van dat erf zich tegen de aanwezigheid van die openingen of werken heeft verzet.” Volgens de Memorie van Toelichting is met het gebruik van de term “recht naar voren” niet bedoeld een andere betekenis te geven aan de bepaling: “ Voorts is in dit lid de uitdrukking "een rechtstreeks uitzicht geven" vervangen door "recht naar voren uitzicht geven". Eerstgenoemde uitdrukking is in artikel 695 B. W. wel duidelijk, doordat in tegenstelling daarmede in artikel 696 wordt gesproken van "ter zijde of in de schuinte", maar doordat laatstgenoemde bepaling niet is overgenomen, zou het thans minder duidelijk zijn dat "rechtstreeks" hier een andere betekenis dan de gewone heeft; ook het uitzicht ter zijde van een balcon is immers "rechtstreeks" in de huidige betekenis van het woord.” Eerst bij een latere wijziging zijn de woorden “recht naar voren geschrapt”. Gelet op de bijbehorende toelichting, moet daar naar het oordeel van de rechtbank echter niet de conclusie aan worden verbonden dat de wetgever daarmee heeft bedoeld nu ook het zijdelingse uitzicht te verbieden: “ In de nieuwe redactie zijn de woorden "recht naar voren" weggelaten. Het oorspronkelijke vierde, thans derde lid geeft voldoende duidelijk aan hoe de afstand moet worden gemeten.” Klaarblijkelijk heeft de wetgever de beperking tot rechtstreeks uitzicht besloten geacht in het meetvoorschrift van het derde lid van artikel 5:50 van het Burgerlijk Wetboek. Van een gewijzigd inzicht van de wetgever ten opzichte van het eerste ontwerp blijkt niet. De toelichting vermeldt niet waarom het verbod van zijdelings uitzicht, in weerwil van de in de Toelichting Meijers gegeven reden, zou moeten worden gehandhaafd en ten opzichte van artikel 696 van het Burgerlijk Wetboek (oud) zelfs zou moeten worden verzwaard. In dit artikel is een raam met een zijdelings uitzicht toegestaan op vijftig centimeter van de erfgrens. Volgens de door [Eiser] voorgestane uitleg van artikel 5:50, eerste lid, zou deze afstand nu twee meter zijn geworden. 3.3 Uit de overgelegde foto’s, tekeningen en eigen waarnemingen concludeert de rechtbank dat de in de te realiseren aanbouw te maken vensters geen uitzicht bieden op het erf van [Eiser] als staande voor het raam rechtuit wordt gekeken. Daarmee wordt artikel 5:50, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek niet overschreden, zodat het bouwplan om die reden niet onrechtmatig is. 4.1 Dit neemt echter niet weg, dat inkijk in de woning van [Eiser] onder omstandigheden onrechtmatig kan zijn in de zin van de artikelen 5:37 en 6:162 van het Burgerlijk Wetboek. De beantwoording van de vraag of het toebrengen van hinder onrechtmatig is, hangt echter af van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor toegebrachte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waarbij onder meer moet worden rekening gehouden met het gewicht van de belangen die door de hinder toebrengende activiteit worden gediend, en de mogelijkheid, mede gelet op de daaraan verbonden kosten, en de bereidheid om maatregelen ter voorkoming van schade te nemen. 4.2 Als de uitbouw wordt gerealiseerd, ontstaat de situatie dat haaks op het slaapkamerraam van [Eiser] een raam van [Gedaagden] komt dat praktisch de gehele breedte van de aanbouw zal beslaan en dat volgens de overgelegde tekening slechts enkele tientallen centimeters van het raam van [Eiser] verwijderd zal zijn. Dit acht de rechtbank toebrengen van onrechtmatige hinder. Op zich kan staande worden gehouden dat [Eiser] ook in de huidige situatie beperkt is in het gebruik van zijn raam en in zijn privacy. Op dit moment bevindt zich immers al een raam van [Gedaagden] recht tegenover het raam van [Eiser] op ongeveer drie meter afstand. Met de aanbouw zal deze beperking echter ontoelaatbaar worden vergroot. De afstand tussen de ramen wordt dan zodanig klein dat de bewoners van beide huizen praktisch bij elkaar in de kamer staan. Deze situatie is permanent en maakt inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [Eiser] in een slaapruimte, hetgeen de rechtbank een zware inbreuk acht. [Gedaagden] heeft zijnerzijds niet aangevoerd dat er een noodzaak bestaat de ramen zo dicht op elkaar te laten aansluiten. 5. Wat betreft de geluidshinder die de aanbouw volgens [Eiser] zal opleveren, overweegt de rechtbank dat [Eiser] niet duidelijk heeft gemaakt waarom deze geluidshinder anders of zwaarder zal zijn dan bij andere huizen die tegen elkaar aan zijn gebouwd. Het aan elkaar bouwen van huizen, waaraan steeds een zekere mate van geluidshinder is verbonden, is algemeen geaccepteerd en kan niet op zichzelf al onrechtmatig zijn. De stellingen van [Eiser] kunnen daarom geen hinder opleveren als bedoeld in rechtsoverweging 4.1. Voor bewijs is dan ook geen plaats zodat de rechtbank het bewijsaanbod van [Eiser] zal passeren. 6. Hetzelfde geldt voor het dicht bouwen van het raam boven de trap van [Eiser]. De rechtbank: I. verbiedt [Gedaagden] de volgens de gemeente Hengelo (Ov.) [Gedaagden] vergunde aanbouw (volgens de bouwvergunning met kenmerk 2004/0589 en de daarbij behorende en bij akte als productie 2 overgelegde gehechte bouwtekening) op te richten op de garage van de woning van [Gedaagden], op straffe van een dwangsom van EUR 5.000,-- (zegge: vijfduizend euro) per dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, met een maximum van EUR 75.000,-- (zegge: vijfenzeventigduizend euro), die [Gedaagden] in gebreke zal zijn om aan dat verbod te voldoen. II. Veroordeelt [Gedaagden] in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [Eiser] begroot op EUR 324,78 aan verschotten en EUR 1.130,-- aan salaris van de procureur. III. Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. M.E. van Wees en is op 22 juni 2005 in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken.