Rechtspraak Rechtbank Amsterdam 2012-04-10
ECLI:NL:RBAMS:2012:BW5477
Bestuursrecht
RECHTBANK AMSTERDAM Sector Bestuursrecht zaaknummer: AWB 11/4677 ZVW uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen [eiser], wonende te [woonplaats], Frankrijk, eiser, gemachtigde mr. G.E.W. van Leeuwen, en het College voor Zorgverzekeringen, verweerder, gemachtigden mrs. K. Siemeling en M. Mulder. Bij besluit van 26 februari 2011 heeft verweerder de voorlopige jaarafrekening op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) voor het jaar 2008 voor eiser vastgesteld (het primaire besluit). Bij besluit van 18 augustus 2011 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard (het bestreden besluit). Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 december 2011. Eiser is niet verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door mr. M. Mulder. Het onderzoek is ter zitting gesloten. Bij beslissing van 20 december 2011 heeft de rechtbank het onderzoek op grond van artikel 8:68, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heropend en de zaak verwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank. De meervoudige kamer van de rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 maart 2012, gevoegd met de zaak van [A] (AWB 11/2605 ZVW). Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door bovengenoemde gemachtigden. Na sluiting van het onderzoek heeft de rechtbank de gevoegde zaken weer gesplitst. In de zaak van [A] doet de rechtbank heden apart uitspraak. Overwegingen 1.1. Eiser woont in Frankrijk. Vanaf het bereiken van de 65-jarige leeftijd op 18 augustus 1999 ontvangt hij een Nederlands pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) en een pensioen van de Stichting Pensioenfonds ABP (ABP). 1.2. Bij het primaire besluit heeft verweerder de voorlopige jaarafrekening voor het jaar 2008 voor eiser vastgesteld op € 4.134,82. In het primaire besluit is vermeld dat aangezien een bedrag van € 1.585,80 reeds is ingehouden op het pensioen, eiser nog een bedrag van € 2.549,02 moet betalen. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. 1.3. Verweerder heeft bij besluit van 17 september 2011 de definitieve jaarafrekening voor het jaar 2008 voor eiser vastgesteld op € 4.134,82. Eiser heeft geen bezwaar gemaakt tegen dit besluit. 2. Standpunten van partijen 2.1. Verweerder heeft zich – kort weergegeven – op het standpunt gesteld dat eiser geen procesbelang meer heeft bij de behandeling van het beroep tegen de voorlopige jaarafrekening, omdat inmiddels ook de definitieve jaarafrekening is vastgesteld. Verweerder verwijst in dat kader onder meer naar een uitspraak van deze rechtbank van 20 oktober 2011 (zaaknummers AWB 10/1782 ZVW en AWB 10/4635 ZVW), waarin in gelijke zin is geoordeeld. Volgens verweerder komt de voorlopige jaarafrekening te vervallen als de definitieve jaarafrekening wordt vastgesteld. Verweerder leidt dit af uit artikel 6.3.3, derde lid, van de Regeling Zorgverzekeringswet (de Regeling). Volgens verweerder wijkt de onderhavige situatie af van de situatie die aan de orde was in het arrest van 19 februari 2010 van de Hoge Raad (LJN: BK1034), waarin is geoordeeld dat procesbelang aanwezig is bij een beroep tegen een voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premies volksverzekeringen, ook indien de definitieve aanslag reeds onherroepelijk is geworden. In dat geval blijft de voorlopige aanslag bestaan naast de definitieve aanslag. Voor zover in dit geval nog wel procesbelang aanwezig wordt geacht, heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser op grond van (EG) Verordening 1408/71 (de Verordening) recht heeft op medische zorg in zijn woonland Frankrijk ten laste van zijn pensioenland Nederland. Daarom is eiser een buitenlandbijdrage op grond van de Zvw (de Zvw-buitenlandbijdrage) verschuldigd aan Nederland. Uit het feit dat de Belastingdienst eiser heeft vrijgesteld van het betalen van premies volksverzekeringen kan niet worden afgeleid dat eiser geen Zvw-buitenlandbijdrage is verschuldigd op grond van de Verordening, omdat deze bijdrage niet gelijk is te stellen met premies volksverzekeringen. De omstandigheid dat de voorlopige jaarafrekening te laat is vastgesteld, doet niet af aan de bijdrageverplichting. De Zvw voorziet ten slotte niet in de mogelijkheid om achteraf tot kwijtschelding of matiging over te gaan. Eiser heeft in beroep – kort weergegeven – aangevoerd dat hij nog wel procesbelang heeft bij zijn beroep. Eiser heeft er daarbij op gewezen dat onder het bestreden besluit staat dat hij in beroep kan gaan en dat zijn beroep daarom ontvankelijk moet worden geacht. Verder heeft eiser aangevoerd dat uit een brief van de Belastingdienst van 16 november 2005 blijkt dat hij is vrijgesteld van premies voor de volksverzekeringen en dat hij aldus ook geen Zvw-buitenlandbijdrage is verschuldigd. Voorts heeft eiser aangevoerd dat pas in december 2008 een Zvw-buitenlandbijdrage is ingehouden op zijn ABP-pensioen. Op zijn AOW-pensioen is wel gedurende heel 2008 een Zvw-buitenlandbijdrage ingehouden. Eiser mocht er gelet hierop van uitgaan dat het totaal van deze inhoudingen voldoende zou zijn voor de Zvw-buitenlandbijdrage voor 2008. Eiser heeft ook niet kunnen reserveren hiervoor. Daarnaast heeft eiser aangevoerd dat verweerder de voorlopige jaarafrekening te laat heeft opgesteld en dat hij de afrekening om deze reden niet of niet geheel hoeft te voldoen. Eiser doet verder een beroep op het principe van redelijkheid en billijkheid. 3. Wettelijk kader 3.1. In artikel 28 van de Verordening is bepaald dat een rechthebbende op een wettelijk pensioen of uitkering die in een andere Lidstaat woont, recht heeft op medische zorg in zijn woonland, ten laste van het pensioenland, voor zover die gepensioneerde in zijn woonland geen persoonlijk recht heeft op zorg, en voor zover die gepensioneerde op grond van de wettelijke regeling van het pensioenland recht op prestaties zou hebben, indien hij in het pensioenland zou wonen. 3.2. In artikel 33, eerste lid, van de Verordening is onder meer geregeld dat het pensioenland op de pensioenen van deze gepensioneerden een bijdrage mag inhouden, indien de kosten voor medische zorg voor rekening komen van het pensioenland. 3.3. Op grond van artikel 69, tweede lid, van de Zvw, voor zover hier van belang, zijn de in het buitenland wonende personen die recht hebben op zorg in hun woonland ten laste van Nederland een bij ministeriële regeling te bepalen bijdrage verschuldigd. 3.4. De wijze waarop de bijdrage als bedoeld in artikel 69 van de Zvw wordt berekend, is neergelegd in de Regeling. In artikel 6.3.3, eerste lid, van de Regeling is onder meer bepaald dat het verschil tussen de door de bijdrageplichtige en zijn gezinsleden verschuldigde bijdragen en de ingehouden en afgedragen of anderszins geïnde bijdragen door verweerder wordt vastgesteld en verrekend, geïnd of uitgekeerd. 3.5. In artikel 6.3.3, derde lid, van de Regeling is – voor zover hier van belang – bepaald dat verweerder het in het eerste lid bedoelde verschil voorlopig vaststelt vóór 30 september van het jaar volgend op het kalenderjaar waarop de bijdrage betrekking heeft en het verschil definitief vaststelt uiterlijk zes maanden na het tijdstip waarop zowel de aanslag inkomstenbelasting als de beschikking Niet in Nederland belastbare inkomen van de Belastingdienst (de NiNbi-beschikking) onherroepelijk zijn geworden. Procesbelang 4.1. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of eiser nog procesbelang heeft bij een uitspraak over de vaststelling van de voorlopige jaarafrekening over het zorgjaar 2008. Vast staat immers dat verweerder inmiddels de definitieve jaarafrekening 2008 voor eiser heeft vastgesteld. Hiertegen is eiser niet opgekomen. 4.2. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep is slechts sprake van voldoende procesbelang indien het resultaat, dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het instellen van (hoger) beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben. Het feit dat eiser beroep kan instellen tegen de voorlopige jaarafrekening brengt mee dat de rechtbank (ook ambtshalve) dient te beoordelen of eiser bij dat beroep voldoende procesbelang heeft. Daarbij wijst de rechtbank erop dat het enkele feit dat onder het bestreden besluit een beroepsclausule is vermeld, niet betekent dat eiser een procesbelang heeft bij de inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen de voorlopige jaarafrekening. 4.3. De rechtbank stelt voorop dat de wetgever op de gebruikelijke wijze bezwaar en beroep heeft opengesteld tegen zowel de voorlopige als de definitieve vaststelling van de jaarafrekening. Verweerder heeft terecht aangevoerd dat de inhoudelijke gronden tegen de voorlopige vaststelling ook in de procedure tegen de definitieve vaststelling van de jaarafrekening kunnen worden aangevoerd. Het enkele feit echter dat de jaarafrekening voorafgaand aan het beroep tegen de voorlopige afrekening inmiddels definitief is vastgesteld, betekent nog niet dat eiser daarom geen belang meer heeft bij zijn beroep. De rechtbank is van oordeel dat het procesbelang bij een rechterlijk oordeel over de voorlopige jaarafrekening daarin gelegen kan zijn, dat dit oordeel ook gevolgen kan hebben voor de definitieve vaststelling van de jaarafrekening. De rechtbank vindt voor dit oordeel steun in een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 januari 2010 (LJN: BK8949), waarin in gelijke zin is geoordeeld inzake de voorlopige vaststelling van de tegemoetkoming kinderopvang. Het maakt naar het oordeel van de rechtbank daarbij niet uit of er al dan niet een rechtsmiddel is aangewend tegen de definitieve jaarafrekening. Verweerder heeft immers altijd de bevoegdheid om ambtshalve een eerder genomen besluit te herzien als dit naar zijn oordeel onjuist is. Verweerder heeft ter zitting ook bevestigd dat hij in bepaalde situaties van deze bevoegdheid gebruik maakt en de definitieve jaarafrekening opnieuw vaststelt, bijvoorbeeld in geval er een nieuwe NiNbi-beschikking is afgegeven waaruit blijkt van andere inkomensgegevens. 4.4. De rechtbank wijst verder op het eerder genoemde arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2010 (LJN: BK1034). Hierin heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een procesbelang bestaat bij de beoordeling van een voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premies volksverzekeringen terwijl nadien een definitieve aanslag is opgelegd waartegen niet is opgekomen, omdat – kort gezegd – uit de voorlopige aanslag een betalingsverplichting voortvloeit, die zo nodig met wettelijke dwangmiddelen kan worden afgedwongen. Dat wordt niet anders indien naderhand een definitieve aanslag wordt opgelegd, waarmee de voorlopige aanslag wordt verrekend, ook niet indien die definitieve aanslag onherroepelijk komt vast te staan, aldus de Hoge Raad. De rechtbank stelt vast dat, net zoals bij een voorlopige aanslag inkomstenbelasting, uit de voorlopige jaarafrekening een betalingsverplichting voortvloeit. De gemachtigden van verweerder hebben dit ter zitting ook bevestigd. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn stelling dat in de onderhavige situatie, anders dan in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2010, geen procesbelang aanwezig is omdat de voorlopige jaarafrekening komt te vervallen als de definitieve jaarafrekening is vastgesteld. Uit de bewoordingen van de Zvw en de Regeling kan immers niet worden afgeleid dat de voorlopige jaarafrekening komt te vervallen bij de vaststelling van de definitieve afrekening. De rechtbank heeft voor dit standpunt ook geen steun gevonden in de parlementaire geschiedenis bij artikel 69 van de Zvw en artikel 6.3.3 van de Regeling. Uit verweerders besluiten waarbij de voorlopige en de definitieve jaarafrekening zijn vastgesteld volgt evenmin dat de voorlopige jaarafrekening komt te vervallen zodra de definitieve jaarafrekening is vastgesteld. Dit betekent dat ervan uitgegaan moet worden dat de betalingsverplichting uit de voorlopige jaarafrekening blijft bestaan als de definitieve jaarafrekening wordt vastgesteld. De omstandigheid dat verweerder de op grond van de voorlopige jaarafrekening te betalen bedragen niet actief invordert, doet daar niet aan af. 4.5. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat, anders dan verweerder en anders dan geoordeeld in haar uitspraak van 20 oktober 2011, procesbelang blijft bestaan bij de beoordeling van de voorlopige jaarafrekening na vaststelling van de definitieve jaarafrekening, ongeacht de vraag of de definitieve jaarafrekening onherroepelijk is geworden. In het navolgende zal de rechtbank dan ook ingaan op de inhoudelijke gronden van het beroep. Materiële beoordeling 4.6. Eiser heeft aangevoerd dat uit een brief van 16 november 2005 van de Belastingdienst blijkt dat hij is vrijgesteld van premie voor de volksverzekeringen en dat hij dus ook geen Zvw-buitenlandbijdrage is verschuldigd. Volgens eiser bestaat geen enkel verschil tussen hem en personen die in Nederland woonachtig zijn. 4.7. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Vast staat dat eiser in Frankrijk woont en een pensioen uit Nederland ontvangt. Niet gebleken is dat eiser inkomsten uit Frankrijk heeft, waardoor eiser een zelfstandig recht op zorg in Frankrijk zou hebben. Eiser is daarom aan te merken als verdragsgerechtigde in de zin van artikel 28 van de Verordening. Dat betekent dat eiser recht heeft op medische zorg in Frankrijk volgens het zogenoemde woonlandpakket ten laste van Nederland. Hiervoor mag Nederland een bijdrage bij eiser in rekening brengen, de Zvw-buitenlandbijdrage. De brief van 16 november 2005 maakt dit niet anders. Nog daargelaten dat de brief waarnaar eiser verwijst niet afkomstig is van verweerder, dat de brief dateert van vóór de invoering van de Zvw en dat de daarin genoemde vrijstelling eindigt per 1 januari 2008, gaat eiser er ten onrechte vanuit dat de premie voor de volksverzekeringen hetzelfde is als de Zvw-buitenlandbijdrage. De verplichting om de Zvw-buitenlandbijdrage te voldoen vloeit rechtstreeks voort uit de artikelen 28 en 33 van de Verordening, in samenhang gelezen met artikel 69 van de Zvw. Het betreft dus geen premie volksverzekeringen, maar een bijdrage die eiser verschuldigd is voor het recht op zorg dat eiser heeft in zijn woonland. Dit is dus, anders dan eiser meent, niet een kwestie van semantiek. Aangezien eiser geen ingezetene van Nederland is en op de verzekeringsplichtigen in Nederland een ander rechts- en verstrekkingenregime van toepassing is dan op eiser, is eiser in dit opzicht niet gelijk te stellen met in Nederland woonachtige personen. Bij de berekening van de Zvw-buitenlandbijdrage wordt, met toepassing van artikel 33 van de Verordening, wel aangesloten bij het Nederlandse systeem. De Zvw-buitenlandbijdrage wordt namelijk berekend op basis van de methodiek van de Zvw en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Van een daadwerkelijke premie volksverzekeringen is, zoals gezegd, echter geen sprake. De beroepsgrond slaagt daarom niet. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.M. Beunk, voorzitter, mrs. A.M. van der Linden-Kaajan en C. Bakker, leden, in aanwezigheid van mr. A.M. van Beek, griffier. de griffier de voorzitter Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Afschrift verzonden op: D: B SB